(leereenheid 10)
Kaders van kunst
Kunst is een bijzondere vorm van communicatie, waarbij iemand (de kunstenaar) iets (een boodschap) aan een publiek overdraagt en wel op een niet alledaagse wijze.
Artistieke expressie is bij uitstek toegepast op de religie en de sociale identificatie.
In de 15de eeuw werd in de Nederlanden nog geen onderscheid gemaakt tussen kunst en niet-kunst. Utiliteitswerk, opsmuk en kunst liepen door elkaar heen. Dit onderscheid kwam pas bij de verspreiding van de renaissance in de 16de eeuw. In plaats van kunst kunnen we beter spreken van culturele expressie (het beladen van voorwerpen met zeggingskracht).
Hoge prijzen van kunstwerken in de 15de en 16de eeuw kwamen door het gebruik van dure materialen en niet vanwege het loon van de artiest. Dat lag op het niveau van een meester-ambachtsman. Zo werd hij, als lid van een ambachtsgilde, ook gezien.
Alleen bouwmeesters waren anders georganiseerd, en wel in bouwloodsen of loges die verbonden waren aan een bepaald project. Architecten werkten dan ook vaak in verschillende plaatsen aan langdurige projecten.
Het Bourgondische hof
In de tweede helft van de 14de eeuw werd door de hertogen van Bourgondië een krachtig mecenaat ontwikkeld. Met name bij de koninklijke intocht in de steden toonde het hof zich met al zijn luister (toneelopvoeringen, muziek, handschriften etc.) aan het volk.
Al in 1380 gaf Filips de Stoute opdracht tot het bouwen van een mausoleum te Champmol (nabij Dijon) voor de pas begonnen dynastie. Vanaf 1385 leidde de Haarlemmer Klaas Sluter het atelier. Hij bracht een treffende stijlvernieuwing tot stand met sculpturen met een zeer expressieve houding en gelaatsuitdrukking. Doordat de hertogen veel reisden kreeg de architectuur relatief weinig aandacht. Pas in het midden van de 15de eeuw kreeg de residentie op de Coudenberg te Brussel iets meer allure.
Het hof had echter wel altijd een hofkapel bij zich bestaande uit een petite chapelle (een tiental koorknapen) en een grande chapelle (23-28 zangers, twaalf blazers, een organist en een tamboerijn). Veel zangers en componisten van internationale faam waren in de loop der decennia aan de Bourgondische hofkapel verbonden.
Geleidelijk aan kwam ook meer harmonie tussen de stemmen en instrumenten tot stand.
Gekalligrafeerde handschriften waren een belangrijk nevenproduct van de muzikale belangstelling van het hof.
Vanaf 1448 had het hof diverse kalligrafen en miniaturisten in dienst met de titel valet de chambre(kamerdienaar) of secretaris. De bibliotheek van Karel de Stoute behoorde met bijna 1000 boeken tot de grootste van Europa.
Naast de muziek waren er echter maar weinig kunstenaars in dienst van het hof. De schilder Jan van Eyck was een uniek voorbeeld. Van 1425 tot 1441 was hij kamerdienaar. Hij mocht echter wel privé-opdrachten uitvoeren.
Jan van Ruisbroek was vanaf 1459 hertogelijk bouwmeester voor alle kastelen en paleizen, daarna vervulde diverse leden van de familie Keldermans deze functie.
Onder landvoogdes Margareta van Oostenrijk (1507-1530) kwam in Mechelen een uitgebreid mecenaat tot stand (schilders uit Nederland en Italië, beeldhouwers, ontwerpers van wandtapijten etc.).
Meestal verleenden de hertogen opdrachten aan kunstenaars die een eigen atelier hielden. Zoals de schilder Rogier van der Weyden en de miniaturisten Simon Marmion en Lievin van Lathem. Sieraden en textiel werden eveneens bij ambachtslieden en handelaars in diverse steden gekocht.
De ambities van het hof waren gericht op het verkrijgen van een koningstitel. Openbare ceremoniën waren daarom met zeer veel luister gevuld. Ook in het buitenland presenteerde men zich met veel pracht en praal. Dit bijv. om de Duitse keizer te imponeren in de hoop op een koningskroon.
Als tegenspel vertoonden ook de steden zich in al haar geledingen.
Stadscultuur
Architectuur
Tot de oudste behoeften behoorde de beveiliging tegenover de buitenwereld, zoals die gestalte kreeg in muren en poorten. De Marktfunctie gaf de steden aanleiding tot de bouw van utilitaire gebouwen in de vorm van hallen. Zo hadden alle grote Vlaamse steden een lakenhal. Een typisch Vlaams bouwwerk was het belfort, een stevige toren waarin de privileges van de stad veilig werden opgeborgen. Soms werden belforten geïncorporeerd in een hal (Ieper, Brugge en Mechelen). Een belfort diende tevens voor het ophangen van klokken waarmee werktijden en noodsituaties werden aangekondigd. In andere steden zoals Leiden en Leuven werden de privileges in een kerk opgeborgen (Pieterskerk).
Gebouwen drukten, boven hun gebruiksfunctie, de zelfbewuste identiteit van een stad uit. Er was tussen de steden onderling een concurrentie om de mooiste en grootste gebouwen te hebben. Dit wordt duidelijk bij de bouw van de stadshuizen van Brussel en Leuven in de eerste helft van de 15de eeuw. Brussel begon met een stadhuis in profane Brabantse gotiek. Leuven volgde met een zo mogelijk nog mooier stadhuis met meer nissen voor beelden van vorsten en andere beroemdheden. Daarna volgde Antwerpen met het meest indrukwekkende stadhuis (1561-1564) waaraan ook buitenlandse ontwerpers meewerkten.
De kerkenbouw was in de eerste plaats de zorg én de trots van de lokale gemeenschap. Brabant was het centrum van de Brabantse gotiek. De Onze-Liever-Vrouw te Antwerpen (1352-1518) was de grootste kerk van de Nederlanden. Doordat er slechts één parochie was nam de kerk met haar vijf beuken en talloze kapellen voor gilden en broederschappen immense afmetingen aan. Één van haar torens werd voltooid tot de hoogte van 123 meter.
Naar een kunstproductie voor de markt
In de 15de eeuw toen de hertogen nog geen vaste residentie hadden fungeerde diverse steden als centra van cultuurproductie. Doornik had tapijtweverij, kalligrafie, miniatuur- en schilderkunst. Leuven had een schildersschool en houtsculptuur. Brugge was het belangrijkst. Rijke buitenlandse handelaren zorgden voor een grote afname en export.
Vanaf 1480 nam de economische betekenis van Brugge sterk af. Geleidelijk aan verplaatste het zwaartepunt van de kunst zich naar de welvarende metropool die Antwerpen werd.
Toch vervulde tot 1530 Mechelen, als zetel van het hof, nog de voortrekkersrol.
Door het grote aanbod ontstond in Antwerpen een markt voor kunstvoorwerpen waarbij niet alleen meer op bestelling werd gewerkt.
In de 16de eeuw ontwikkelde zich ook een burgerlijke variant van de kamermuziek die tot dan toe enkel hoofs was. In Antwerpen ontstond na 1550 een bloei in de bouw van klavierinstrumenten. Ook de plateelschildering kwam tot krachtige bloei.
Door de opkomst van de drukkunst werden boeken en grafiek voor een breed publiek toegankelijk.
Antwerpen was een wereldcentrum en fungeerde als etalage van allerlei nieuwe cultuurproducten.
Omliggende steden werden hierin meegetrokken; Brabantse beeldsnijkunst in hout, Brusselse wandtapijten en Mechelse orgelbouw en klokken gieten.
Zingeving en distinctie
Er waren twee belangrijke impulsen die de cultuurproductie in de Nederlanden toonaangevend hebben gemaakt in Europa:
Koormuziek en wandtapijten waren exclusief hoofse producten. Ook opdrachten
voor handschriften en glasramen kwamen vooral uit hoofse kringen. Terwijl
bij de architectuur de steden een hoofdrol vervulden.
Diverse artiesten werkten voor mecenassen van uiteenlopende status (hoofs en burgerlijk). Mecenaten waren veelal niet exclusief zodat ook voor andere opdrachtgevers mocht worden gewerkt. Het Bourgondische hof had weinig kunstenaars in dienst, de opdrachten werden vaak aan individuele kunstenaars gegeven hetgeen een stimulans was voor verdere ontplooiing. Tot omstreeks 1530 was het hoofse milieu het meest initiatiefrijk, vooruitstrevend en innovatief. Daarna werden de raakvlakken met de steden steeds groter en namen deze de voortrekkersrol over. In die periode trad tevens een schaalvergroting op in de cultuurproductie.
Het kunstenaarsmilieu was bij uitstek internationaal. De artistieke kernen, met een open kosmopolitische houding, zogen talent aan uit heel Europa. De internationale handelsstroom zorgde ook voor een verspreiding van de kunst over de heel Europa (incl. de koloniën).
De klemtoon lag, haast per definitie, op de vorm, de stijl. De wijze waarop de boodschap gebracht werd was voor de kunstenaar boeiender dan de inhoud daarvan (de inhoud kan pas spreken door en dank zij de vorm).
Langzamerhand nemen profane themas toe ten kosten van de religieuze. Zo lieten vorsten zich steeds vaker vereeuwigen als klassieke krijgsheld i.p.v. in een religieuze context.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)