(leereenheid 6)
Luther en het begin van de hervorming in de Nederlanden
Op 31 oktober 1517 sloeg Luther 95 stellingen, die vooral gericht waren tegen de florerende aflaathandel, aan de deuren van de slotkerk te Wittenberg in Saksen. Luther formuleerde succesvol de grondslag van een nieuwe reformatorische theologie waarbij het kernpunt was het besef dat de door en door zondige mens nimmer op eigen kracht God kon bereiken. Het R-K idee dat de mens d.m.v. goede werken zijn eigen redding kon bewerkstelligen was voor hem onaanvaardbaar, enkel door het geloof alleen sola fide, kon de mens in de hemel komen. Er kon daardoor ook geen wereldlijk gezag van de kerk meer zijn.
Alleen via de bijbel sola scruptura maakte God zich kenbaar aan de mens.
Al in 1518 waren Luthers geschriften in Antwerpen te koop en in 1520 vond in Leuven de eerste boekverbranding plaats.
In de late middeleeuwen was in de Nederlanden al de beweging van de moderne devotie opgang gekomen die de nadruk op de spirituele, innerlijke verdieping van het geloof legde en ook veel aan armenzorg deed. De écclesia primitiva (oorspronkelijke, vroege kerk met bijbels christendom als richtsnoer) gold als lichtend voorbeeld.
Het christelijk humanisme was een belangrijke factor in het op gang brengen van religieuze debatten. Het belang van kerkelijke ceremonies en instituties werd ter discussie gesteld.
Het religieuze leven in de Nederlanden werd al vroeg gekenmerkt door een grote pluriformiteit. Van een uitgesproken keuze voor een bepaalde richting was echter nog geen sprake.
De doperse beweging
Luther ging uit van de betekenis van de avondmaalsleer (brood en wijn vertegenwoordigden het lichaam en bloed van Christus). Bij veel hervormingsgezinden in de Nederlanden ging deze gedachte er niet in. Ook was dit het belangrijkste twistpunt dat leidde tot een breuk tussen Luther en Zwingli (een belangrijke hervormer uit Zurich). Zij zagen de doop meer als een bewuste getuigenis van de gelovige. De anabaptisten (wederdopers) pleitten dan ook voor de volwassenendoop.
In de Nederlanden nam Melchior Hoffman, tussen 1530 en 1533 vanuit Emden het voortouw tot de beweging der wederdopers. In 1534 trokken duizenden wederdopers naar Munster om daar het Nieuwe Jeruzalem te vestigen. Het werd een fiasco. De excessen waaronder polygamie werden als weerzinwekkend beschouwd. De wederdopers kregen het imago van rebellie en anarchie. Zij werden vervolgens twee jaar lang hardnekkig vervolgd waarbij in Holland alleen al meer dan 200 mensen werden geëxecuteerd.
Onder leiding van de Fries Menno Simons kwam het in 1539 tot een wederopstanding van het anabaptisme. Nu werd echter geweld afgezworen. De overheid werd noodzakelijkerwijs erkent maar zij wensten er niets mee van doen te hebben waardoor zij repressiemaatregelen over zich afriepen. Desondanks beleefde de beweging tussen 1550 en 1565 een periode van grote bloei. Na de dood van Simons kwam het in 1561, door de strenge tucht en leer, al snel tot diverse afsplitsingen die meer gematigd waren. Doordat de samenhang verdween gingen de gereformeerden de eerste viool spelen in de Nederlandse hervormingsbewegingen.
Het spiritualisme
Naast de doperse beweging ontstonden tal van sekten en groepen die onder de noemer spiritualisme kunnen worden samengebracht. Deze groepen waren van mening dat het voor de mens mogelijk was om reeds op aarde, en niet eerst in het hiernamaals zoals de anderen leerden, een staat van spirituele perfectie te bereiken. Kerkelijke ceremoniën en sacramenten hadden voor hen weinig betekenis. Niet de uiterlijke vorm, maar de innerlijke beleving; niet het gedrag, maar de geest telde. De Duitse spiritualisten Caspar Schwenckfeld en Sebastian Franck behoorden tot de eerste generatie. De Vlaming David Joris kwam voort uit de dopers. Hij kreeg in 1536 een openbaring om als derde profeet (na Mozes en Christus) de reiniging en wedergeboorte te prediken, hetgeen hij met verve deed. Er waren al snel veel Davidjoristen te vinden, echter niet onder de culturele elite der Nederlandse steden. Het feit dat Joris weinig op had met moderne geleerdheid en het humanisme was hier debet aan.
In 1540 kreeg ook de Amsterdamse koopman Hendrik Niclaes een openbaring. Zij die hem volgden en gehoorzaamden, zouden deel uitmaken van de familie die in het Huis der Liefde mocht wonen. De anderen wachtten hel en verdoemenis.
Doordat de familie rijk was en veel economische banden had werd het de best georganiseerde spiritualistische groepering. In 1573 ontstond onder Hendrik Jansen van Barrefeld een minder hiërarchisch en meer tolerante afsplitsing.
Door de nadruk op tolerantie, piëteit en persoonlijke beleving en ethiek, kende het spiritualisme een grote aantrekkingskracht.
Het gereformeerde protestantisme
Na 1550 maakte het gereformeerde protestantisme een stormachtige groei door.
Hierbij speelden de Nederlandse gemeenschappen in Engeland en het Duitse Rijk een belangrijke rol.
In Londen werd onder leiding van Johannes A Lasco en de Gentse predikant Marten Micron een kerkelijke gemeenschap opgebouwd. Ook vanuit Emden werd ijverig zending bedreven. Vanuit beide centra werden veel geschriften verspreid in de Nederlanden.
Rond 1550 begon het Genève van Johannes Calvijn invloed te krijgen. Naast zuiverheid in de leer en het streven naar de christelijke levenswandel kreeg ook de kerk een grote invloed.
De kerkelijke gemeenschap werd geleid door predikanten die samen met de ouderlingen de kerkenraad vormden. Doktoren en diakenen zorgden voor respectievelijk het onderwijs en de armen. De ouderlingen werden door de gemeente gekozen en hadden tot taak de morele en sociale discipline onder de gelovigen te bewaken.
Kerk en overheid vulden elkaar complementair aan. De overheid had de macht van het zwaard en de kerk de macht van het woord.
Calvijn vond dat de kerk op zichzelf stond, van een staatskerk wilde hij niets weten.
Hoe sterk Calvijns denkbeelden ook verspreid waren zij kregen geen monopolie in de Nederlanden. In 1561 werd een geloofsbelijdenis door Guy de Bray gepubliceerd. In 1562 vond in Antwerpen de eerste provinciale synode plaats.
Vanaf 1560 ontstond een proces van radicalisering met 1566 als hoogtepunt. In de lente begonnen, eerst in Vlaanderen, grootscheepse predikaties in het open veld (hagepreken). Dit leidde op 10 augustus 1566 in Steenvoorde tot de beeldenstorm. Daarna op 16-8 in Ieper; op 20-8 in Amsterdam en 22-8 in Gent. Vele steden volgden. Vooral plaatsen met een zwak stadsbestuur waren het slachtoffer. Eind 1566 bepaalde de synode van Antwerpen dat het wettelijk was toegestaan om de religie met de wapenen te verdedigen. Het schrikbewind van Alva maakte echter korte metten met de gereformeerde troepen en brachten het protestantisme aan de rand van de afgrond.
De beweging was echter niet meer te stuiten. Al in 1571 kwam er weer een synode bijeen in Emden. Er werd nadruk gelegd op de kerkelijke discipline, die in een tiental artikelen, sterk geïnspireerd door Calvijns leerstellingen, werd uiteengezet. Niet elke provinciale synode volge echter dezelfde lijn. Er was ruimte voor een meer rekkelijke positie.
Door het verloop van de opstand vond de wederopbouw van de gereformeerde kerk juist in Holland een aanvang. Het opheffen van de vervolging in de andere gewesten bij de pacificatie van Gent in november 1576 gaf het protestantisme ook in andere gewesten een kans.
Begin jaren 80 ontstond een conflict tussen de gematigde Willem van Oranje en de radicale Petrus Dathenus uit Gent. Daarnaast was er nog de Leidse predikant Caspar Coolhaes, die een brede, tolerante kerk voorstond hetgeen haaks stond op de visie van enige dominante groeperingen.
De religieuze situatie in de Republiek aan het eind van de 16de eeuw
In 1587 schatten de Staten van Holland, geen overdreven liefhebbers van de kerk, de gereformeerde aanhang op minder dan tien procent van de bevolking. Ondanks dat in 1573 de meeste steden in Holland de uitoefening van de katholieke godsdienst hadden verboden bleef de nationale gereformeerde kerk toch in de minderheid. Alhoewel iedereen de kerkdiensten van de gereformeerde kerk kon bezoeken kon niet iedereen lid worden. Men moest aan hoge morele en geestelijke eisen voldoen. De gewetensvrijheid bleef in de geünieerde provinciën hoog in het vaandel staan. Strijd was er echter wel over de vraag hoever de uitingen van de gewetensvrijheid mochten gaan. Vanuit Leiden kwamen pleidooien voor een volstrekte vrijheid van het uitoefenen van mening en godsdienstuitoefening. Dit onder leiding van Dirck Volckertsz. Coornhert. Onder het klassieke spreekwoord eendracht maakt een kleine gemeenschap groot, tweedracht vernietigt de grootse verdedigde hij zijn uitspraken. De uitspraken hadden ook een politieke achtergrond. Gezien de bloedige strijd die er in de afgelopen decennia had plaatsgevonden sprak het gedachtegoed van Coornhert de meeste Hollandse magistraten wel aan. Zij hadden immers met een zeer pluriforme gemeenschap te maken (gereformeerden, doopsgezinden, spiritualisten en rooms-katholieken).
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)