Veranderende Grenzen 1

Hoofdstuk 9 - Duitsland, 1871-1919

Auteur: Zwaan

 

WO I gezien door literatuur als neergang vd Eur cultuur en geschiedenis (bv Henry James, Leonard Woolf). De ‘massa’ was echter enthousiast de oorlog ingegaan.

Vraag is in hoeverre het Duits nationalisme aan de vooravond van WO I een verklaring biedt voor de algemene geestdrift waarmee de oorlog werd begroet.

Nationalisme in Duitsland tot 1890

Nationalisme als sentiment, als ideologie en als beweging.

- Als collectief gedeeld sentiment: gevoel van toebehoren aan en solidariteit met een positief geïdealiseerde nationale gemeenschap; identificatie met grotere gemeenschap; collectieve zelfverheerlijking; vaderlandsliefde = eigenliefde. Kan variëren van groep tot groep binnen een natie; diffuus.

- Als ideologie: diffuse en uiteenlopende gevoelens worden benoemd en verder vorm gegeven. Selectief teruggrijpen op verondersteld collectieve ervaringen uit het verleden; eigen cultuur geaccentueerd, vooral die aspecten en symbolen die eenheid en identiteit vd natie uitdrukken. Ook hierin allerlei variaties, aan verandering onderhevig. Kern blijft de wens als natie een zelfstandige staat te vormen of te behouden.

- Als sociale beweging: een opeenvolging van diverse groeperingen, genootschappen, verenigingen en partijen die voorgeven nationalistisch van karakter te zijn en waarvan de leden zich vereenzelvigen met de doelstellingen van hun vorm van sociabiliteit.

Ontstaan D nationalisme rond 1800. Kiemen gelegd voor nationale sentimenten; ontstaan beide stromingen vd ideologie: een meer ‘verlicht’, burgerlijk en gematigd nationalisme naast een meer romantisch, populistisch-collectivistisch nationalisme; ontstaan van een nationale beweging.

Bildungsbürger: academisch gevormde burgers oiv de Verlichting. Eenheid in taal, literatuur en filosofie, dus in de Kultur. Cultivering van humanistische, intellectuele en morele ontwikkeling, een waarachtig gevoelsleven en van burgerlijke deugdzaamheid. Besef van eigenwaarde, te onderscheiden vd op Fr gerichte adel en de lagere volksklassen en van de als oppervlakkig ervaren Fr en Eng cultuur. Dus primair cultureel gericht nationalisme onder hogere burgerij, vrijwel geheel apolitiek.

Buiten dit vroege culturele nationalisme was van een D nationalisme als sentiment, ideologie of beweging aan het eind vd 18e eeuw onder de massa vd bevolking nog geen sprake. Lokaal en regionaal particularisme. Factoren die ontwikkeling nationalisme hebben gestimuleerd:

Expansie van Fr onder Nap stimuleerde groei van nationale sentimenten op grotere schaal, de vorming van een D-nationale ideologie waarin cultuur en politiek met elkaar werden verbonden en het ontstaan van een D-nationale beweging.

Cultureel nationalisme verbonden met politieke wensen: vrijheid, onafhankelijkheid en zelfbeschikking. Vooral onder burgerlijke groepen. Twee stromingen in ideologie: liberaal nationalisme en romantisch nationalisme.

Nationalisme als beweging: organisatorische verbanden: verenigingen (Burschenschaften), turnclubs. Bewegingen fragmentarisch, activiteiten gematigd. Door regeringen met argusogen gevolgd. Tussen 1815-1860 golfpatroon: oiv buitenlandse ontwikkeling steeds oplevingen, gevolgd door repressie door autoriteiten. Gebeurde in 1830-32, 1848-49 en in jaren 50. Nationalisme behield oppositiekarakter: verandering status quo, vestiging politieke eenheid. Onderlinge verdeeldheid bv in Frankfurter parlement (1848-49). Politiek nationalisme bleef tot in jaren 60 zaak van gezeten burgerij (Bildung en Bezitz), overwegend liberaal; romantisch nationalisme bij kleine Mittelstand en kleine burgerij.

Onderdrukking niet succesvol door lange-termijn-processen van maatsch verandering:

Deze processen ondermijnden de standensamenleving, bevorderden natievorming. De verbreiding van nationalisme als sentiment was het gevolg vd geleidelijke maatsch modernisering, kon door overheid geen halt toegeroepen worden.

Vestiging D Keizerrijk niet van onderop, maar van bovenaf door Pr politiek-militaire elite olv Bismarck. Tegenstelling tussen het sinds 1858 door liberalen gedomineerde lagerhuis en de dynastieke regering (zich uitend in interpretatie vd constitutie en de door de regering gewenste legerhervomingen). Liberalen verdacht van gebrek aan patriottisme. Liberalen na 1866 verenigd in Nationalliberale Partei, verzoening met Bismarck ten koste vd politiek-liberale idealen à liberalisme werd marginaal. Nationalisme boven liberalisme geplaatst. Men gaf strijd voor burgerrechten en parlementaire macht op à nationalisme vd burgerij kreeg anti-liberaal karakter. Toename invloed vd romantisch-nationalistische ideeën. Eenwording = primair een aangelegenheid van dynastieke vorsten en militaire adel, niet het resultaat van een burgerlijk-nationalistische beweging. Massale nationale bewondering voor Pruisisch regime, het leger en Bismarck.

Modernisering leidde ook tot maatsch en politieke spanningen: klassensamenleving door industrialisering, bedreiging oude Mittelstand. D Rijk dus verre van hechte eenheid, niet stabiel: hybride mengsel van dynastieke, aristocratische en parlementaire elementen, overwicht voor 1e twee. Bismarck bestreed uitbreiding parlementaire macht en verdere democratisering, wees op dreiging van binnenlandse en buitenlandse vijanden à klimaat van dreiging en onveiligheid versterkte nationale sentimenten. Hij zag in het nationalisme de voornaamste ideologische kracht die het regime bij elkaar kon houden.

Dus:

Katholieken en socialisten gezien als Reichsfeinde. Katholieken bestreden in de Kulturkampf: bisschoppen gevangen gezet, parochies zonder priesters. Katholieken verdacht loyaler aan paus te zijn dan aan keizer. Ook socialisten vervolgd.

Het van boven opgelegde nationalisme sloot aan bij de al levende romantisch-conservatieve nationale denkbeelden.

 

 

Nationalisme en Weltmacht, 1890-1919

Kenteringen in politiek en economie rond 1890. Wilhelm II keizer, grillige, ontactische man. Grote invloed van conservatieve Junker op politiek. Macht parlement en zeggenschap politieke partijen zeer beperkt (‘schijndemocratie’). Afkeer van democratie. Patstelling tussen rigide staats-structuur en veranderende samenleving. Economisch ging het goed. Politieke, economische, imperialistische en militaire concurrentie tussen Eur staten nam sterk toe. Nationalisme werd belangrijker, nam ten dele nieuwe vormen aan. Doorgedrongen in alle lagen vd bevolking. Kende allerlei schakeringen. Het ‘officiele’ nationalisme: Ersatzreligion die alle tegenstellingen moest overbruggen, vast onderdeel vh onderwijs; conservatief, anti-liberaal, sterk anti-socialistisch en anti-democratisch. God, keizer, gezag, vaderland, leger en familie belangrijkst. Al naar gelang de maatsch positie werden versch aspecten benadrukt, maar wat allen gemeen hadden was een geloof in D superioriteit en kritiekloze verheerlijking van alles wat D was à romantisch-conservatieve elementen gingen overheersen. ‘Officieel’ nationalisme niet geaccepteerd door iedereen: katholieken en socialisten ambivalent tegenover Rijk en D natie. Vanaf eind jaren 70 was de katholieke Zentrumpartei naar binnen toe gericht op handhaving eigen subcultuur. Sociaal-democraten ook. Nationalisme afgewezen.

Kenner D nationalisme: historicus M.Hughes, wees erop dat er verschillende visies op het ideale D naast elkaar bestonden à interne polarisatie. Deze polarisatie kon ook religieus fanatisme teweegbrengen bij vasthouden en uitdragen vd eigen overtuigingen. Drie stromingen: voorstanders status quo, voorstanders verdere democratiseringen en de völkische nationalisten (integrale nationalisten).

Völkische nationalisme won aan populariteit ah eind vd eeuw, voornaamste stroming na WO I. Sloot aan op romantisch nationalisme (met uitsluiting vd christelijke en cultureel-literaire elementen) en op het ‘officiele’ nationalisme (zonder de conservatieve elementen). Georganiseerd in de Alldeutsche Verband. Vijanden van binnenuit: liberaal-kapitalisme, individualisme en materialisme. Vijanden van buitenaf: het revanchistische Fr, het perfide Eng en de barbaarse Slaven. Remedie: zich radicaal teweer stellen tegen vreemde smetten binnenlands en militaire strijd buitenlands. Radicaal, militair, antimodern en antisemitisch. Nodig om naderende ondergang af te wenden à sloot aan bij rijkspolitiek van imperialisme, versterking vh leger en marine. Geloof in Weltmission, Weltpolitik en Weltmacht.

Opleving nationalisme als beweging, zich uitend in oprichting allerlei verenigingen, wel met andere ideologische lading dan voor 1871. Ook in andere landen, maar in D het talrijkst.

Nationalisme leidde aandacht af van binnenlandse kwesties als armoede, het uitblijven van hervormingen en het gebrek aan democratie.

Dus aanloop naar WO I combinatie van internationale verwikkelingen en de aard vh D nationalisme. Ondanks alle ideologische variaties waren de algemene elementen de D superioriteitswaan en de collectieve zelfverheerlijking. Gevoed door anti-westerse oriëntatie: tegen liberalisme, socialisme en democratie, tegen Fr en Eng. Militair-agressieve opstelling. Enthousiasme om oorlog in te gaan.

Begin WO I: alle onderlinge verschillen weg gepoetst. Vanaf 1917 traden de oude tegenstellingen weer naar voren. Meerderheid Rijksdag (geen invloed op oorlog omdat D in feite militaire dictatuur was) voor vrede. Conservatieven en nationalisten verenigden zich in Vaterlandspartei: ultra-nationalistisch, wilde oorlog voortzetten; wenste annexatie van delen van Belg, Fr en Rus; inperking democratie. Verschilde niet veel v regering en leger. Bevolking en Rijksdag misleid door militaire leiding: overwinning zou nabij zijn. Plotseling wapenstilstand, vlucht keizer, muiterij en revolutionaire bewegingen in steden. Militairen schoven schuld af op politici en burgerbevolking. D leger zou niet gefaald hebben, geveld door niet-nationale krachten. Nationalistische mythe werd in brede kring voor waar aangenomen.

1919: Republiek van Weimar. Meer democratie. Geassocieerd met nederlaag à D nationalisme kwam lijnrecht tegenover democratie te staan à radicalisering en ontsporing vh nationalisme binnen die democratie à nieuwe catastrofe.


| Index | Geschiedenis | Veranderende Grenzen 1 | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)