Hoofdstuk 3
De ontregeling vd standenmaatschappij
Bev.groei à omzien naar andere bestaansmogelijkheden + economische groei à nieuwe beroepsmogelijkheden à migratiebewegingen (horizontale sociale mobiliteit) + sociale stijging en daling (verticale sociale mobiliteit). Ontregeling standenmaatschappij al voor de Fr.Revolutie op gang gekomen.
Kern vd Verlichting: liberaliteitsbeginsel met nadruk op autonomie vh individu, streven naar carrière en vooruitgang.
Zeer liberaal onderwijsstelsel in Fr, bevorderd door overheid.
Liberalisme door Marx ‘bourgeois’-mentaliteit genoemd, maar ook aanhang onder adel. Gezag van overheid (geestelijke en wereldlijke) gerelativeerd en geprofaneerd. Nieuwe taken à groeiende bureaucratisering vd staat. Vermindering staatsgezag viel samen met toename staatsmacht.
Liberalisme ondervond tegenstand vh traditionalisme tot ver in 19e eeuw. Niet in de 1e plaats een politiek, maar cultureel conflict. Zowel binnen adel als binnen burgerij. Traditionalisten: arme landadel, antiliberale deel vd geestelijkheid (tot 1773 vooral de jezuïeten), kleine burgerij. Nieuw soort antiliberalen: egalitaristen (Marat, Hébert, Robespierre): tegen gelijkheid van rechten, voor feitelijke, collectieve gelijkheid van allen.
Kernwoorden na 1789: nation en patriot. Nation: nationale eenheid en liberale waarden, vastgelegd in de constitutie, van onderdaan naar vrije burger = liberaal patriottisme. Veranderde onder Napoleon in staatspatriottisme, staat belangrijker dan het volk, nationale eenheid belangrijker dan liberale rechten.
Romantiek en reactie
Revolutie kende alleen verliezers: traditionalisten verloren van liberalen, liberalen verloren van egalitaristen, egalitaristen gingen aan zichzelf te gronde. Emancipatie vh individu speelde niet alleen bij de liberalen, maar ook bij traditionalisten en egalitaristen. Afkeer van Verlichting en stedelijke cultuur en hun egocentrisme. Bv bij Burke (Eng), Herder (D) en Rousseau (Fr). Verzet tegen de vooruitgang, traditionalistisch, maar met liberale en egalitaristische elementen. Mengeling bepaalde moderne gezicht vh antimodernisme. Kenmerk: veeleisend moralisme = moraliteitsbeginsel: verzet tegen egoisme, hypocrisie, platvloersheid en natuurvernietiging.
Rousseau prototype vd weerstand tegen vooruitgang = degeneratie. Mens hoort te leven in kleinschalige gemeenschappen, de ‘natuurlijke mens’. Vooruitgang wel onomkeerbaar. Was in de hand te houden door isolement van weinig ‘beschadigde’ gebieden (bv Corsica) = patriottistisch idyllisme; hierin kiem van 19e eeuws nationalisme gezien, hoewel hij geen politiek ideoloog was. Zag geen heil in grote Eur staten, nam het individu in bescherming tegen staatsmacht en waarschuwde tegen patriottisch fanatisme. Was moralist die zich teweer stelde tegen de vooruitgang, geen politiek ideoloog. Onzekere sociale status van philosophes (schrijvers).
Moraliteitsbeginsel kern van Romantiek. Ook nieuwe opvatting over kunst: belichaming van een superieure werkelijkheid, kunstenaar als genie tegenover de kilheid en het egoïsme vh moderne burgerdom. Maar romantische schrijvers waren zelf ook burger.
Romantische industrieel: Robert Owen.
Mal du siècle: tegen economisch en ideologisch individualisme. Ego lijdt aan tegenstrijdigheden à permanente twijfel en eenzaamheid, melancholie. Bv Schubert, Chopin, Byron, Shelley, Hölderlin, Turner, Constable, Caspar David Friedrich. Natuur geïdealiseerd. Ideaal van sociale harmonie (harmonisme, bv Fourier). De vrouw als halfgodin (bv Julie ou La Nouvelle Heloïse van Rousseau: het vleesgeworden moraliteitsbeginsel). Ook terugkeer naar katholicisme. Auguste Comte: le Grand-être: individualisme overwonnen door altruïsme. Dus romantici antiliberaal en anti-burgerlijk. Afschuw vd burger bereikte hoogtepunt in het werk van Heinrich Heine (1797-1856). Radicale antiburgerlijkheid tijdens 19e eeuw werkzaam als morele tegenkracht tegen de vooruitgang. Hoofdthema bij Balzac, Proust, Marx en Engels, na 1880 in nationalistische ideologieën. Moraliteitsbeginsel a-politiek. Antimoderne visies niet gericht op groepsbelangen. Sociaal-utopische plannen moesten niet door machtspolitieke ingrepen tot stand komen, maar door een mentale en morele omwenteling. Niet het belang van een stand of beroepsgroepen centraal, maar de morele belangen van de menselijke cultuur en dus van de hele bevolking. Het traditionaliteitsbeginsel (continuatie vh AR en erfelijke standenhiërarchie) was echter gericht op groepsbelangen en beheerste deel vd politieke arena. Aanhang onder niet-liberale deel vd adel, boeren, ambachtslieden, officieren en ambtenaren. Voorstander van droit divin, tegen liberale rechtsgelijkheid. Meest pure traditionalisten: de Ultra’s (genootschap: Chevaliers de la Foi) olv Vilèle. Maar liberalen olv Guizot gingen steeds grotere rol spelen (genootschap: Carbonari). Toenemend aantal intellectuelen (bv Victor Hugo) anti-traditioneel en anti-klerikaal. Traditionalisten wisten parvenu’s niet tegen te houden. Belangrijkste symptoom vh hoge veranderingstempo: sociale mobiliteit. Erfelijke standencultuur tot politiek punt gemaakt.
Traditionalisme in D: Reaktion, beschuldigd van niets ontziende machtspolitiek, gedreven door eigenbelang. Kende ook enkele romantische medestanders (Schlegel, von Baader), niet geïnspireerd door eigenbelang, maar door moraliteitsbeginsel. Liberalisme versus traditionalisme radicaliseerde in de jaren 40. Gevecht leidde ook tot onderlinge verstrengeling.
Ook na 1850 bleven a-politieke intellectuelen (Stirner, Flaubert, Matthew Arnold) voorvechters vh moraliteitsbeginsel. Arnold: concept van menselijke volledigheid, tegen het nuttigheidsdenken vd vooruitgang, vormde grondslag van een cultuurkritiek die zich niet alleen richtte op de ‘burger’, maar op alle lagen vd maatschappij, in het bijzonder op de politieke machtsvorming.
Restanten van het AR in een expanderende samenleving
Chaotisch veranderingsproces à angst à teruggrijpen op traditionele levensvormen vh AR, maar niet hetzelfde als voorheen: rigoreuzer, intoleranter. Hoog veranderingstempo door Verlichting en Ind.Rev nam nog meer toe door deelname van groter deel vd bevolking. Buitensporige bevolkingsgroei in steden. Grootschalige emigratie. Dus ‘culturele revolutie’, industriële revolutie, bevolkingsgroei en migratie bepaalden karakter vd 19e eeuw. Had 2e gezicht: groot deel vd bevolking bleef trouw aan agrarische levensvormen met regionale culturen vh AR.
RK-kerk verbreidde onverdraagzaam moralisme (ook op platteland) à verzet tegen kerk, gezag vd onderwijzer werd sterker à proces van ontkerkelijking in de hand gewerkt door kerk zelf. Maar veel bleef bij het oude op het platteland. 2e h.19e eeuw wel enige verburgerlijking vd boeren. Standsbegrippen vh AR bleven gehandhaafd. Sociaal stijgenden beoogden aanzien vd adel, bv bureaucraten, rijk geworden kooplieden en bankiers. Op lager niveau, de nieuwe middenstand, probeerde men zich af te scheiden vd stedelijke arbeiders. Dit alles in D sterker dan in Fr en Eng. Leidde echter overal tot re-traditionalisering, liet AR langer voortduren dan verondersteld. In Fr was men meer gericht op positie in bureaucratie dan op functies in handel en industrie, ondanks liberaal onderwijs. Bureaucratie bepaald door traditionalistische opvattingen, ook tijdens de fase van economische liberalisering (1830-1848, Julie-Monarchie). Ook in D. In vrijwel geen enkele staat stelde de bureaucratie zich in dienst vd vooruitgang, nauwelijks economiegericht.
Antiliberale tegenbewegingen leidden niet tot restauratie vh AR. Traditionalisme partij naast andere partijen, vertegenwoordigde een serie groepsbelangen.
Liberalisme niet alleen van buitenaf bedreigd, ook van binnenuit. Niet gebaseerd op collectieve belangen, maar op het autonome individu, niet gebonden door regio of sociale categorie. Ideologische basis en sociaal fundament ontbrak. Stedelijke burgerij (de liberalen) vormde geen belangeneenheid. Liberalisme stond open voor permanente zelfkritiek en zelfcorrectie. Gaf geen stabiliteit en collectieve geborgenheid. Bv Owen, Fourier, Heine en Marx, later Langbehn, Chamberlain, Barrès en Maurras gingen van liberale levensopvatting naar antiliberale en anti-industriële doctrines. Had alles te maken met de grenzen vh individueel egoisme en de rol vd overheid. De laissez faire-leer van Adam Smith vergrootte rijkdom, maar ook armoede. De scepsis, die inherent was aan het liberalisme, scheen omstreeks 1830 bedwongen door de utilistische moraal van Jeremy Bentham dmv het calculatiedenken: de mechanica vh sociale leven, de mens verschraald tot economisch mechaniek. Afgewezen door romantici als Coleridge. JS Mill wees de nuttigheidsnorm niet geheel af: de materiële belangen vd maatschappij konden met het utilisme worden bevorderd; het liet echter geen ruimte voor gevoelens. Mill pleitte voor ‘gehumaniseerd’ utilisme, dat recht zou doen aan menselijke vermogens en verlangens die uitgaan boven materiële begeerten. Beriep zich op Coleridge, die zich inzette voor cultivering van alle menselijke vermogens à terug bij moraliteitsbeginsel met streven naar menselijke volledigheid en volmaaktheid en droombeelden van sociale harmonie. Dus liberalisme problematisch: egoïsme vh individu tegenover sociale rechtvaardigheid. Leidde bv bij Mill tot toenadering tot socialisme. Het ontbrak het liberalisme aan sociale betrokkenheid. Ideologie vd ambitieuzen. Belaagd door de Romantiek, het socialisme, de Reactie, het conservatisme en het nationalisme.
In de bedding van het nationaal bewustzijn
Ipv nationalisme is het beter te spreken van nationaal bewustzijn, beperkt tot enkele groepen.
Idyllisch nationalisme: Rousseau.
Egalitaristisch, jacobijns nationalisme: Parijse kleinburgers en sans culottes.
Romantisch nationalisme van Herder: Duitse intelligentsia.
Anti-aristocratische en anti-liberale nationalisme (Volk): niet het boerenvolk, waar het over ging.
Nation, patrie of Volk veel te ruim.
D: intelligentsia (Herder, Schiller, Schlegel, Fichte, Heine) antiliberaal en anti-aristocratisch; sociale harmonie, culturele en morele superioriteit vh D Volk. Ging bij Arndt en Jahn over in machtsdenken, gericht op militaire disciplinering, nationale expansiezucht en zuivering van het Volk van on-Duitse elementen. Zelfs Marx begon met een D-nationale gedachte.
Nationaal bewustzijn stond ivm toegenomen sociale en geografische mobiliteit. Het denken op nationale schaal betekende dat met het buitenland ging zien als vreemd.
Nationalisme vd intelligentsia: ‘moreel imperialisme’ (Fr: Michelet, Louis Blanc).
Nationalisme v liberale zakenlieden: economische belangeneenheid (D: List, It: Mazzini, Eng: JS Mill; tegen kleine staten à territoriale expansie van grote staten), niet chauvinistisch, nationale economie slechts fase in evolutie van streek- naar wereldeconomie.
Nationalisme vd overheid: economische en culturele unificatie vd staat; nationale loyaliteit was overheidsbelang.
Nationalisme van zakenlieden en overheid had zakelijk, rationeel karakter. Dat vd intelligentsia meer emotioneel.
Na 1880 anomie (Durkheim): ideologische en morele verwarring vh fin de siècle, moet gezocht worden in de masaal toenemede sociale mobiliteit. Opkomst vrouwenbeweging. Beroepen in allerlei sociale geledingen vervuld door parvenu’s. Sociale stijging joden. Adel, joden, Besitzbürger en academici zochten erkenning als Bildungsbürger. Men werd minder liberaal à re-traditionalisering om toeloop tot hogere standen te keren. Prestige-nationalisme gedreven door gevoelens van achterstelling. Het massaal geworden carrière-liberalisme was omgeslagen in een fanatiek anti-liberalisme. Dit keerde zich tegen vrijwel alle liberale waarden en verworvenheden: tegen individualisme, competitie, grote steden, positivistische wetenschap, moderne kunst, kapitalistische ondernemingen, de geliberaliseerde elites en joden = integraal nationalisme. Te onderscheiden in twee ideologieën: het revolutionair conservatiisme en het völkische nationalisme. Men streefde naar sociale en culturele re-integratie, naar een Gemeinschaft die een eind zou maken aan alle sociaal-psychologische verschrikkingen van de liberale Gesellschaft (Tonnnies, 1887). Uitgedragen door bv Lagarde (D): oorsprong liberaal bederf volgens hem de joden; reactionair nationalisme. Dit soort vormen van integraal nationalisme, waarin revolutionair-conservatieve en völkische utopieën een grote rol speelden, maakten in veel Eur landen een snelle groei door. Fr: Ligue des Patriottes (1882). Eng: Primrose League (1883), D en Oos: Alldeutsche Verband (1890). Zware concurrent voor liberalisme en socialisme. Fr: Maurras en Barrès, nation = religieuze grootheid. Barrès: la France éternelle, Maurras: la France réelle. Grepen evenals Lagrande terug op het AR, joden kregen de schuld; streven naar monarchie. Deze revolutionair-conservatieve ideologie kwam tot actie in de Action française (1899). Streven naar nieuwe standenmaatschapoij die het liberalisme diende weg te dringen. Gedachtengoed overgenomen door christelijk corporatisme ter beteugeling vh socialisme. Racistische variant: Chamberlain (D). Dus rond 1900 drie mythische antiliberale begrippen: traditionalisme van Maurras, ras van Chamberlain en klasse van Marx. Zouden liberaal individualisme moeten uitbannen. Waren alle 3 uit de geest van voormalige liberalen voortgekomen en hadden wetenschappelijke pretenties.
Socialisme: allerlei interne conflicten. Arbeiders gaven voorkeur aan reformistisch socialisme dat streefde naar verbeteringen op korte termijn. Toen zij erop vooruitgingen (sociale wetten) verloor de revolutie aan overtuigingskracht. Bernstein verwierp de klassenstijdtheorie en pleitte voor ‘evolutionair socialisme’ dat zou moeten samenwerken met liberale en conservatieve partijen = revisionisme (Jaurès), was in overeenstemming met reformistische praktijk. Lenin bestreed revisionisme, koos voor elite van geschoolde revolutionairen, voor een communistische partij-aristocratie. Andere vormen van socialisme: anarchisme (Kropotkin), ‘esthetisch’ socialisme (William Morris), keerden zich tegen vooruitgang en industrie.
Ideologieën geen gesloten formaties. Hobsbawm: men was niet óf nationalistisch óf socialistisch óf confessioneel, maar er was plaats voor meerdere loyaliteiten tegelijkertijd. Het proletariaat als klasse (als besloten belangeneenheid) heeft nooit bestaan. Grote verschillen onder arbeiders.
Liberalisme bleef voortbestaan via de vrijetijdscultuur, drong door tot alle lagen vd bevolking. Andere vorm van liberalisme: die vd intelligentsia: in de letteren, muziek, kunst. Evenals de romantici ageerden zij tegen een cultuur van platvloersheid en hypocrisie vh burgerdom à nihilisme en antiburgerlijkheid. Bv Nietzsche. Vele kunstenaars zochten het in dandyisme, katholicisme, nationalisme, socialisme, primitivisme. Afwending vd maatschappij. Kloof tussen ‘probleemcultuur’ met revolte tegen het banale en de ‘massacultuur’ met gemakzuchtig escapisme onoverbrugbaar geworden. Voor veel losgeraakten (Barrès: les déracinés) waren de kwellingen van onbevredigde ambities, statusonzekerheid, sociaal isolement en ideologische verwarring blijkbaar alleen te compenseren met nationalisme en imperialisme (om ergens bij te horen).
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Winnie de Keizer (2002)