Veranderende Grenzen 1

Hoofdstuk 2

Auteur: Kok

 

Agrarische samenlevingen onder druk

Economische en demografische veranderingen à afbraak traditionele samenleving in Eur. Niet in alle delen tegelijkertijd en op dezelfde wijze. Eerst: Eng, NW.Eur; 2e h.19e eeuw Z+O.Eur à economische ongelijkheid à politieke spanningen.

Bevolkingsgroei

Vanaf 1750 bevolkingsgroei in Eur.

1750 1800 1850 1900 1913 m=miljoen

140 m 190 m 266 m 401 m 469 m

Sterke verschillen in groei per land, zie tabel 1, blz.106.

Groeitempo niet bepaald door economische ontwikkeling (bv in Rusland ook groei, terwijl achtergebleven). Ander groeikarakter dan voorheen. Vroeger regulering door huwelijkssluiting. Vanaf 1750 daling sterftecijfers door:

Economische gevolgen bevolkingsgroei: prijsstijging voedsel à productieverhoging. Grotere vraag naar kleding, huizen. Groot arbeidsreservoir à lage lonen. Daling sterfte hoogst onder jongeren à productieve deel bevolking gegroeid à minder mensen te onderhouden.

Ook vrij hoge geboortencijfers. Eind 19e eeuw geboortenbeperking. Patroon laat en weinig huwen losgelaten.

Landbouw

Technologie: ‘agrarische revolutie’. Bevolkingsgroei + productieverhoging: prod.verhoging stimuleert bev.groei; bev.groei à grotere vraag à prijsstijgingen. Vergroting areaal. Beperking braakligging. Paarden voor de ploeg ipv ossen. Teelt in rijen à ontwikkeling landbouw-werktuigen op wielen. Nieuwe gewassen. Bijdrage wetenschap. Kunstmest (eerst in D à graan-exporteur). In Ned geen agrarische revolutie, was al ‘modern’ geworden tussen 1500-1700.

Grondbezit: sterk verschillende ontwikkelingen in de diverse landen.

Eng: 1e met nieuwe methoden. Grote bedrijven (enclosures). Geen schadeloosstelling voor landloos geworden kleine boeren à trek naar steden.

Fr: veel keuterboeren. Adel niet betrokken bij hervormingen. Zware belastingdruk voor boeren. Geen primogenituur. Pachtsysteem: métayage (deelpacht) = deel oogst voor grondbezitter. Grondbezit = belegging, status. Geen prod.verhoging, beperkte bev.groei, geen grote afzetmarkt voor industrieproducten, geen goedkoop arbeidsreservoir.

D: grote regionale verschillen. Ten oosten vd Elbe: Junker grootgrondbezitters. Feodaal: pachters lijfeigenen (afgeschaft in 1807), aan grond gebonden. Ten westen vd Elbe: boeren kregen volledige eigendomsrechten, geen schadeloosstelling aan landheren. In Midden-D wel.

Ned: 1798 afschaffing heerlijke rechten zonder compensatie. Wel nog oude heffingen. Gemene gronden (marken) bleven lang bestaan (tot 1886).

Agrarisch kleinbedrijf domineerde in Fr, Ned, B en West-D. Grote landgoederen: Ierl, Z-Sp, Z-It, O-Eur, Hongarije (1900: 2 na grootste graanexporteur).

Rusl: hervormingen 2e h.19e eeuw. Schadeloosstelling zware belasting voor boeren. Mir (dorps-gemeenschap) beheerde grond.

Betekenis agrarische revolutie: hongersnoden uitgebannen à groei bevolking. Groot belang voor industrialisering. Hogere inkomens à stijging vraag naar kleding à te weinig wol à katoen à mechanisering. Stimulans voor ijzer- en staalindustrie (hoefijzers, ploegen). Industriële activiteiten gefinancierd met kapitaal uit landbouw. Ondernemers uit boerenklasse (textiel-industrie had basis op platteland).

Huisindustrie op platteland

18e-vroeg 19e eeuw: uitbreiding huisnijverheid op Eur platteland = schakel naar overgang naar industriële economie = proto-industrie. Groeifactoren: behoefte aan > productie door internationale handel, vergroting afzetmarkten. Stedelijke nijverheid niet geschikt door hoge lonen en gildenbelemmeringen. Op platteland lagere lonen, thuisarbeid in winterseizoen. Nadelen: geen toezicht, onregelmatig karkater (oogstseizoen). Mechanisatie vereist concentratie van productie in werkplaatsen. Gevolg voor bev.groei: eerder trouwen à bevolkingsdruk op platteland. Pachten stegen.

Bevolking op drift: migratie en urbanisatie

Migratie: versnippering grondbezit en bevolkingstoename door huisindustrie en aardappelteelt. Steden boden nog te weinig werkgelegenheid. Tijdelijke trek naar andere streken. Overzeese emigratie vanwege honger, werkloosheid, politieke revoluties, bevrijding lijfeigenen in Centraal Eur en ontdekking goud in Californië en Australië. Ook binnen Eur migratie. Uit landen waar ingrijpende landbouwhervormingen uitbleven kwamen weinig landverhuizers (Fr, Ned).

Overzeese emigratie had grote betekenis voor Eur demografie: veel jonge mannen à daling huwelijks- en geboortencijfers; minder druk op bestaansmiddelen à daling grondprijzen à stijging lonen. Groot deel keerde terug naar land van herkomst (en brachten geld mee).

Urbanisatie: sterktste bev.groei in steden à groei aantal + omvang steden. Aanwas door migratie, niet door ¯ sterfte. 1800: 23 steden > 100.000 inw; 1900: 135. Groei vooral in hoofdsteden. Dus groei steden > dan bev.groei op platteland à agrarische samenleving verdrongen door stedelijke. Verschil in tempo. Bevolking steden > dan op platteland: Eng 1e in 1851, D 1891, Ned 1920, Fr 1931. Z-O-Eur nog minder dan in Fr. In Rusl in 1914 nog maar 15% in steden. Steden groeien vooral wanneer industrie er zich vestigt, nabijheid grondstoffen + energie.

Stedelijk proletariaat, 1800-1875

Haard van onrust. Arbeidsomstandigheden zwaar, slechte woonomstandigheden. Epidemische ziekten. Hoge sterfte. Ontworteling valt wel mee door familie- en vriendenbanden. Sterk gemeenschapsleven in buurten. 1e arbeidersorganisaties: geschoolde ambachtslieden, ambacht raakte in verval à overgenomen door fabrieksarbeiders 2e h.19e eeuw.

Samenvatting

1750-1850 veranderingen die traditionele samenlevingen zouden doen verdwijnen. Sleutelrol: bevolkingsgroei, in hoofdzaak veroorzaakt door daling vd sterftecijfers. Dit door verbeteringen en productieverhoging in landbouw. Rationalisatie à schaalvergroting à verhoging productiviteit. Boeren combineerden boerenbedrijf met huisindustrie (textiel). Stijging voedsel- en grondprijzen à boeren meer afhankelijk van lonen. Situatie werd onhoudbaar à migratie, overzeese emigratie en trek naar steden. Grootste groei in fabriekssteden, daarna grotere groei in hoofdsteden (dienstensector, overheid). Vooruitgang afhankelijk van perspectief: geen vooruitgang voorplattelanders en proletariaat van industriesteden. De bevolkingsgroei, de agrarische revolutie en de migratie naar de steden schiepen echter wel de voorwaarden voor de industrialisering, die op den duur een drastische verhoging vd levensstandaard mogelijk maakte.

De industrialisering en haar gevolgen

1e fase: NW-Eur

Beginpunt: innovaties in Eng textielindustrie (18e eeuw) en ijzerproductie (hoogovens gestookt met cokes). Factoren van belang voor navolging Eng (aan de hand van Belg):

Fr: noorden: steenkool, textiel (Tourcoing, Lille, Roubaix); Rhone-vallei (Lyon: zijde, mijnen, hoogovens); Elzas: katoen. Land als geheel achterop vanwege achterstand landbouw, geringe steenkoolvoorraden en te weinig kapitaal.

D: Rijnland-Westfalen: ijzerind., textiel. Later Ruhr-gebied (kolen). Saksen: textiel, machines, locomotieven. Succes door goed onderwijs, voldoende grondstoffen, kapitaal en spoorwegen.

Ned: late industrialisering. Weinig grondstoffen, late aanleg spoorwegen, weinig afzetmarkten. Geringe koopkracht door belastingpolitiek (accijnzen). Hoge grondprijzen. Binnenlandse tollen. Lonen hoog. Industrie alleen in Twente en Limburg. Weinig investeringen in industrie.

Verschillen Eng-vasteland:

1e fase: Z+O.Eur

Groeiende behoefte aan grondstoffen en voedingsmiddelen in NW-Eur, hierin voorzien door O-Z- en N-Eur à internationale arbeidsdeling, stimuleerde grootgrondbezit. Toelegging op landbouw à weinig investeringen in industrie. Wel industrie in Bohemen (textiel, suiker, bier); omgeving van Wenen, Linz en Stiermarken. Rusl: Oeral (ijzer), omgeving Moskou (textiel), Oekraïne (suiker, ijzer). Bedrijven kleinschalig, verouderd, werkten met lijfeigenen. Z-Eur: Catalonië (textiel); in Sp na verlies koloniën achterstand.

2e fase: NW-Eur

1875-1914: voortzetting + versnelling. Overheid grotere rol, grotere greep op economisch leven: gezondheidszorg, infrastructuur, politie, onderwijs. Groei bureaucratie. Belastinghervormingen: directe belasting op vermogen en inkomen. Geld voor overheid ook uit kapitaalmarkt: grote banken (‘het tijdvak vh financieringskapitaal’). Concentratie van macht en belangen. Kartelvorming (D en Fr; VS en Eng tegen). Opkomst technische wetenschappen à verbetering in staalindustrie. Niet meer alleen vinden van oplossingen voor praktische problemen. Bv ontdekking vd synthetische verf (Eng, 1857), grondslag voor industrie van synthetische producten, D koploper, gestimuleerd door overheid. Elektriciteit à revolutie in communicatie. Telegraaf 1837, telefoon 1876, radio 1896. Elektromotoren.

Eng verloor voorsprong door uitblijven modernisering, hoge invoerrechten op vasteland. D evenaarde Eng. Opkomst industrie in Scandinavië: scholing, goede verbindingen (koopvaardij) en waterkracht.

2e fase: Z+O.Eur

2e h.19e eeuw ongunstiger: prijsdaling primaire producten. Verschillen in welvaart groter. Industrie weinig succesvol. Weinig steenkool. Landbouw weinig productief. Steden klein. Slecht transport. Corrupte overheden. Uitzonderingen: N-It: sterke groei na 1895 in elektrotechniek, autofabricage, chemie mbv buitenlands kapitaal (D) en overheidssubsidies. Hydro-elektriciteit, geldzendingen immigranten. Hongarije: 1 vd grootste graanproducenten à geld en mankracht vrijgemaakt voor industriële ontwikkeling na 1900. Rusl: in sommige gebieden snelle ontwikkeling (Donetsk-bekken, zware industrie); hausse 1890-1900 en 1907-1914. Wel beperkt tot enkele gebieden, economie in het algemeen (landbouw!) achter. Afhankelijkheid van buitenlands kapitaal.

Het ontstaan van een internationale economie

Groeiende onderlinge afhankelijkheid

Industrialisering succesvolst wanneer vergezeld van internationaal proces van arbeidsdeling en specialisatie. Voorwaarde: vrije handel. 1e decennia 19e eeuw nog niet. Fr sloot markten af voor buitenland. Ook protectie in Eng. Maatregelen in Eng: afschaffing verbod op emigratie van technici in 1824; afschaffing invoerrechten op graan in 1846. Overal hoge in- en uitvoerrechten. Verlaagd vanaf midden 19e eeuw. Cobden-Chevalier-verdrag (1860, Eng-Fr): vaste bovengrens tarieven, clausule meest begunstigde natie: wanneer 1 vd partijen een tariefovereenkomst zou sluiten met andere natie, zou de andere het recht op dezelfde regeling hebben à andere landen sloten dergelijke verdragen à daling tarieven in heel Eur. Toename internationale handelsstromen. Uitbreiding door spoorwegen en zeescheepvaart (verbetering zeilschip, daarna stoomschip) à daling transportkosten. Uitbreiding buitenlandse investeringen vanaf 1870 door opkomst beleggingen door middenklasse, uitbouw handels- en investeringsbanken, toename beleggingsmogelijkheden in buitenland (leningen aan overheden). Eng grote investeerder, later Fr (spoorwegen in Rusl). Vanaf 1880 D. Groeiende afhankelijkheid blijkt uit feit dat op veel gebieden internationale samenwerking tot stand kwam: post, bestrijding besmettelijke ziekten, behandeling krijgsgevangenen, overgang op gouden standaard stabiliseerde betalingsverkeer. Toenemende concurrentie

Onderlinge verwevenheid economieën à internationale conjunctuurbeweging. 1873-96: ‘Grote Depressie’. Lage prijzen landbouwproducten door uitbreiding areaal in VS (graan); vlees uit N-Am en Arg, wol uit Austr, zijde uit Jap en China. In Eur misoogsten, vee- en plantziekten. Minste prijsdaling in veeteelt en tuinbouw à Ned en Denemarken (en Eng) bleven vrijhandel propageren. Andere landen met landbouw van belang zoals D, Fr, Rusl, It en Oos-Hong reageerden met protectie. Boeren hierin gesteund door industrie, deze leed ook onder concurrentie. Handelstarieven stegen. Werkten vaak averechts: hielden prijzen hoog, remden technologische vernieuwing. Handelsoorlogen. 1914: alleen Eng, B, Ned en Zwits lage in- en uitvoerrechten. Ondersteuning bedrijfsleven ook door kortingen op vervoer via nationale spoorwegen en door subsidies. Vrijheid van migratie aan banden gelegd.

1880-1914: kolonialisatie van Afrika door Eur landen. Rond 1900 was 90% gekolonialiseerd. (‘modern’ imperialisme). Economische motieven (grondstoffen, investeringen, afzetmarkt); baten echter beperkt. Nationalistische en racistische ideologieën wegen minstens zo zwaar.

Vooruitgang en welvaart zeer ongelijk.

De vorming van een moderne industriële samenleving

Afbraak traditionele samenleving. Nieuwe sociale klassen à eind standenmaatschappij. Toename mobiliteit en communicatie.

Beroepsstructuur en sociale verhoudingen

Verandering samenstelling beroepsbevolking: ¯ in primaire sector (landbouw), ­ secundaire (nijverheid) en tertiaire sector (dienstverlening). Nieuwe sociale groepen: ‘nieuwe rijken’ (niet van adel), nieuwe middenklasse (‘white collar’). Verzakelijking arbeidsverhoudingen à verdwijnen persoonlijke band werkgever/nemer à oprichting verenigingen. Verbruiks-coöperaties. Arbeidersorganisaties 1e h.19e eeuw opgericht door (geschoolde) ambachtslieden; eind 19e eeuw moderne vakbewegingen door (ongeschoolde) fabrieksarbeiders. Verschilde van land tot land.

Na 1870 verbeteringen in arbeidsomstandigheden, ­ levensstandaard, meer kans op sociale stijging. Arbeidswetten (bv in Ned: kinderwet van Van Houten, 1874; arbeidsinspectie 1889). Sociale verzekeringen pas in 20e eeuw (behalve in D: 1881 om arbeiders rustig te houden). Stijging reëele inkomens (in O.Eur later). Meer geld voor bv kleding; huizen bleven klein, huren hoog. Sociale woningbouw pas in 20e eeuw. Stijging sociale mobiliteit trok angel uit klassen-tegenstellingen.

Geboortenbeperking à daling geboortencijfer vanaf 1880. Eerst in steden. Ook door secularisering. In Ned traag door invloed van kerken. In Fr al in 18e eeuw.

Afbraak van regionale culturen

Door verbreiding lager onderwijs, dienstplicht en toename mobiliteit en communicatie. Hoofdrol voor onderwijs in vorming nationale culturen (taal). Begin jaren 80 verplicht en kostenloos onderwijs. Leger belangrijk integrerend instituut. Dienstplicht in Fr, Ned, B, D, It en Oos-Hong. Aanleg wegen, spoorwegen, posterijen, dagbladen, telegraaf, telefoon en migratie braken regionale beslotenheid af. Gelijkschakeling tijdmeting (dienstregeling spoorwegen!). In Ned in 1850 A’damse tijd, in 1892 Westeuropese tijd (Greenwich) tegelijkertijd. In 1908 overal in Ned A’damse tijd.

Samenvatting

19e eeuw in Eur proces van industrialisering met vèrreikende gevolgen voor Eur en voor rest vd wereld. Productieverhoging, prijsverlaging à wijzigingen in traditionele verhoudingen: landen die industrieproducten vervaardigden en landen die grondstoffenleverancier werden. De laatste liepen moeilijk in te halen achterstand op. Industrieel centrum: NW-Eur. Hier landbouw rond 1900 sterk in betekenis afgenomen, mensen werkzaam in industrie of handel. Levensstandaard steeg, grotere sociale stijgingskansen. Welvaart en sociale mobiliteit bevorderden participatie in politiek leven. Traditionele cultuur (streekgebonden en godsdienstige identiteiten) onder druk door toename interregionaal verkeer en nieuwe communicatiemiddelen. Verspreiding kennis en ideeën door onderwijs en media. Socialistische en nationalistische bewegingen streden om de gunst vd massa.

In de rest van Eur, vooral in Z en O werd de achterstand in industriële ontwikkeling als steeds pijnlijker ervaren. Inhaalmanoeuvres hadden weinig succes en leverden meer schulden op. Samenlevingen hier nog traditioneel karakter: grotere rol voor godsdienst, bevolking leefde nog voor groot deel op platteland, alfabetisme en armoede.


| Index | Geschiedenis | Veranderende Grenzen 1 | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)