Van Matisse tot Newman. Verscheidenheid in abstractie en expressie
Maurice Rummens
De geschiedenis van de kunst van de eerste helft van de 20e eeuw wordt over het algemeen gezien als een geschiedenis van vernieuwingen. Het ging bij deze heroïek van innovatie niet alleen om een zelfbewust streven naar vernieuwing, maar ook om herkenning van een bepaald patroon in de recente geschiedenis: de grondgedachte dat de radicale vernieuwer wint. De geschiedenis van de avant-garde in de schilderkunst werd vereenzelvigd met een speurtocht naar radicale vernieuwingen, waarbij het optreden van schokeffecten of aanvankelijke verguizing toetsstenen konden worden voor later succes.
Expressie
Henri Matisse en André Derain (1880-1954): schrokken niet terug voor sterke deformaties van vormen en een schetsmatige penseelvoering voor hun schilderijen. Ze poseerden samen met Maurice de Vlaminck (1876-1958), Kees van Dongen (1877-1968) en andere geestverwanten in de Herfstsalon van 1905. Het publiek reageerde heftig, men noemde ze de fauvisten (verscheurende wilde dieren). Matisse werd als de leider van deze groep beschouwd.
Het duurde niet lang of ook buiten Frankrijk begonnen schilders min of mee in de geest van Matisse hun tekening te vereenvoudigen en hun kleurgebruik te verhevigen.
De Duitsers Ernst Ludwig Kirchner (1880-1938), Erich Heckel (1883-1970) en Karl Schmidt-Rottluf (1884-1976): Die Brücke.
De benaming ‘expressionisten’ was mogelijk gekozen op grond van het feit dat Matisse de expertise centraal stelde in zijn verklaringen over kunst.
In 1905 begon Pablo Picasso met Matisse te wedijveren op het gebied van grote, radicale vernieuwingen. In 1908-1909 ontwikkelde hij samen met Georges Braque (1882-1963) het kubisme.
Kunstenaars als Kazimir Malevich (1878-1935), Piet Mondriaan (1872-1944) en Umberto Boccioni (1882-1916) waren in de jaren tien vertegenwoordigers van respectievelijk de constructivistische (geometrisch abstracte) tendensen en het futurisme. Ze zagen meer in het kubisme dan in de kunst van Matisse.
In het kubisme wordt, voor het eerst in de geschiedenis van de kunst, bewust afgeweken van de leer van het perspectief. Door figuren uit een veelheid van eenvoudige geometrische figuren op te bouwen konden Picasso en Braque duidelijk afgebakende vormen creëren en het probleem vermijden dat de relatie tussen figuur en achtergrond iets onwerkelijks, als van een uitgeknipte vorm, had. Het kubisme had geen verhalend karakter.
Bij expressie dachten de academici van oudsher niet aan het uitdrukken van persoonlijke gevoelens. In de academische kunsttheorie had het begrip expressie altijd betrekking op het voorstellen van de gevoelens en ideeën van de uitgebeelde figuren, niet die van de maker.
Matisse ging ervan uit dat door een juist keuze uit het register van vorm en kleur, een compositie alleen al stemming of expressie kon overbrengen. De beeldmiddelen lijn, kleur, compositie en textuur konden zo hun eigen verhaal creëren.
Matisse en Picasso hadden ernstige bedenkingen tegen de eigentijdse academische schilderkunst. Ze waren daarin niet de enigen.
Matisse en Picasso zochten visuele uitdagingen die de kijker minder gemakkelijk voor zicg innamen.
Braque (1917): "In de kunst bestaat vooruitgang niet in steeds verdere uitbreiding, maar in de kennis van beperkingen. Beperking der middelen doet stijl ontstaan."
Al in de late 18e en vroeg 19e eeuw was er kritiek op kunstenaars die alleen maar het oog misleiden met illusies.
Jean-August Dominique Ingres (1780-1867) en Eugène Delacroix (1798-1863): sterk vertekende motieven.
In deze radicale benaderingen konden schilders als Matisse en Picasso een rechtvaardiging vinden voor de manieren waarop zij de vernieuwingen van hun voorgangers als Cézanne, Seurat, Van Gogh en Gauguin verder doorvoerden.
De schilderkunst had voor Matisse en zijn geestverwanten tot doel de gevoelens uit de drukken die pasten bij het motief dat ze schilderden, of zelfs om tot expressie te komen van de specifieke gevoelens die hij over een bepaald onderwerp had. Dat was in de eerste plats een zaak van beeldmiddelen, lijnen en kleuren.
Matisse: "componeren is de kunst van het op decoratieve wijze ordenen van verschillende elementen waarover de schilder beschikt om zijn gevoelens uit te drukken." Dit zijn twee ogenschijnlijk tegenstrijdige tegenstellingen.
Fysionomische expressie en synthetische equivalenten
Aan de beeldmiddelen werd een zelfstandige, autonome gevoelswaarde toegekend. Zelfs een gestileerde of onbehouwen gemaakte kop drukt iets uit. J
Fysionomische expressie, expressie van gemoedstoestanden d.m.v. gelaatsuitdrukkingen en gebaren.
Sommige lijnen zouden bepaalde eigenschappen bezitten – somber zijn, vrolijk zijn – en dus in staat zijn om geheel op eigen kracht somberheid of vrolijkheid uit te dragen. Vooral in de 19e en in het begin van de 20e eeuw kregen deze ‘abstracte’ eigenschappen van lijnen en kleuren de volle aandacht en bestond de neiging om ze als absolute eigenschappen op te vatten.
Henry Harvard, Grammaire des arts du dessin (Grammatica van de tekenkunst) uit 1867, werd gretig gelezen door Van Gogh, Gauguin en hun volgelingen waaronder Matisse.
Matisse wilde dat zijn schilderijen harmonie en orde uitstraalden en uiting gaven aan zijn gevoelens over zijn motieven.
De kunsttheoreticus Gombrich heeft duidelijk gemaakt dat wij de expressieve eigenschappen van kleuren of lijnen niet als absolute eigenschappen dienen op te vatten. Alleen als de beschouwer weet over welke mogelijkheden de kunstenaar beschikt, kan de kunstenaar een bepaald gevoel of mededeling van persoonlijke aard overbrengen. In alle ander gevallen blijft de ervaring van de kunstenaar subjectief.
Abstractie
De beeldende kunst was tot nu toe de kunst van het afbeelden. Vanaf 1910-1913 werd de ‘voorstellingsloze’ kunst onderscheiden van de rest en is er sprake van een aparte categorie.
Of een vorm gelezen wordt als abstract of figuratief is afhankelijk van de context waarin deze voorkomt en van de voorkennis van de beschouwer. Het is niet mogelijk een scherpe grens te trekken tussen figuratieve en abstracte kunst.
Abstractie: het onderwerp is geabstraheerd of er is geen enkele verwijzing naar de werkelijkheid.
Geheel abstracte ruimtelijke werken namen vanaf 1915 een centrale plaats in het Oost-Europese constructivisme in. Wladamir Tatlin (1885-1953), Kazimir Malevich, El Lissitzky (1890-1941).
Bart van der Leck (1876-1958) reduceerde figuren en voorwerpen tot losse geometrische vormen. Hij onderscheidde zich daarin van Mondriaan die een fusie van voorwerpen en omringende ruimte tot stand bracht.
Gedurende de 19e eeuw begonnen kunstenaars abstracte compositiepatronen belangrijker te vinden dan het motief. Compositielijnen werden soms opgevat als diepzinnige universele tekens van menselijk expressie. In de vroege 20e eeuw kwam het idee dat de kunst moest worden gezuiverd van het motief, omdat het overbodig was en de expressie in de weg stond.
Een nieuwe beeldtaal
Kunstenaar zochten naar een nieuwe beeldtaal. Men wilde de langs intuïtieve weg verkregen bevindingen op het gebied van abstracte werking van vormen systematiseren.
Invloed van wetenschappelijke theorieën en theosofische filosofieën.
Ook heeft de nieuw ontstane kunsthistorische wetenschap, met zijn interesse voor abstracte compositieschema’s een niet te onderschatten invloed.
Muzikale beeldende kunst
Klandinsky typeerde de beoogde beeldtaal met een begrip uit de muziek als de ‘basso continuo’, de becijferde bas.
Aan de hand van het prestige dat de muziek als abstracte kunst genoot, kon de aandacht worden gevestigd op de zuiver beeldende kant van de schilderkunst, ten koste van het verhalende element.
Decoratieve beeldende kunst
Het kunstenaarschap van Klandinsky was geworteld in de kunstnijverheid. Hij was geïnteresseerd in de ornamentele volkskunst.
Matisse streefde weliswaar niet naar een geheel abstracte beeldtaal, maar hij inspireerde zich voor zijn kleurstellingen en lijnvoering wel op abstracte ornementen uit de traditie van de toegepaste kunsten.
Het uitdrukken van spiritualiteit
In de vroege 20e eeuw stelden sommige kunstenaars zich tot taak om met hun beeldmiddelen spiritualiteit uit te drukken. Dit doel sloot aan bij het geloof dat de mensheid evolueerde naar een hoger geestelijk niveau. Klandinsky wees herhaaldelijk op het verval van het zielloos materiële leven van de 19e eeuw.
Gestimuleerd door het spiritualistische denkbeeld dat de zichtbare wereld slechts een uiterlijke verschijningsvorm was, wilden kunstenaars als Klandinsky en Mondriaan het onzichtbare zichtbaar maken. Het blijft echter onduidelijk hoe groot de invloed van de theosofie op Klandisky’s werk werkelijk geweest is. Mondriaan stelde zich vanaf 1908 de taak de theosofische gedachte uit te drukken. Het ging bij Mondriaan om de algemene noemers die de essentie achter de werkelijkheid zouden representeren.
Kunst als expresse van de eigen tijd
De artistiek niet bepaald progressieve theosofische kopstukken toonden geen interesse in het werk van Mondriaan. Klandinsky overkwam hetzelfde. Kunstenaars als Klandinsky en wellicht ook Mondriaan twijfelden eraan of het wel mogelijk was om abstracte kunstwerken te maken die uitstegen boven het niveau van betekenisloze ornamentiek.
Anders dan Mondriaan beschouwden een aantal andere kunstenaars de abstractie niet als hun enige hoofddoel, maar als één van de middelen om tot expressie te komen.
De meeste experimenten op het gebied van de abstractie zijn waarschijnlijk mede doorgezet omdat kunstenaars vonden dat zij de taak hadden om het karakteristieke van de eigen tijd uit te drukken. à De ‘Zeitgeist’ volgens Hegel.
De opvatting dat de kunst van een bepaalde periode de voornaamste expressie vormde van die periode heeft de idee aangewakkerd dat er zich in de kunst onontkoombare veranderingen voltrokken en dat de kritiek daarop vanzelfsprekend zinloos was (De vooruitgangsgedachte).
Expressieve beelden
André Breton, Manifeste du surréalisme (1924). Hij bracht een stroming op gang die de aanspraken van het constructivisme verwierp. Breton trok het ideaal in twijfel dat zuivering van de kunst tot haar essentie (het najagen van het absolute) zou bijdragen tot de totstandkoming van een betere wereld. Hij beschouwde het surrealisme als een instrument om de burgermaatschappij te bestrijden.
Surrealisten waren: Max Ernst (1891-1976), Joan Miró (1893-1984), Salvador Dalí (1904-1989), René Margarite (1898-1967) en Man Ray. Zij zetten vaste betekenissen op losse schroeven. Het aantasten van maatschappelijke conventies door ze op losse schroeven te zetten. Hun denkbeelden en voorkeur voor erotische onderwerpen waren geïnspireerd op de psychoanalytische theorieën van Sigmund Freud. De surrealisten baseerden zich op Freuds uitleg van dromen en de werking van de grap en de karikatuur.
Het doek en de wand
Jackson Pollock (1912-1956) ging uit van de zeggingskracht van het gevoelsleven.
Het abstracte expressionisme: Willem de Kooning (1904-1997), Barnett Newman (1905-1970), mark Rothko (1903-1970) en Clyfford Still (1904-1980).
Het abstract expressionisme propageerde een nieuwe heroïsche, specifiek Amerikaanse, schilderkunst. Men zicht het geheel en al in het persoonlijke gevoelsleven, in zelf-expressie.