‘Leugens, waarder dan de letterlijke waarheid’, de verbeelding van de werkelijkheid

Hanna Pennock

De school van Barbizon

De schilders van de school van Barbizon probeerden voor het eerst de schoonheid van het landschap zelf weer te geven, zonder het te willen verfraaien. Ze schilderden in de buitenlucht: plein air. Het plaatselijke dorp Barbizon en zijn omgeving leverde een schat aan motieven. De naam ‘School van Barbizon’ is pas in 1890 voor het eerst gebruikt door de Engelsman David Coral Thomson in zijn boek The Barbizon School of Painters.

Tot de protagonisten van de school van Barbizon behoorden Jean Baptiste Camille Corot (1796-1875), Charles-François Daubigny (1817-1878), Jean-François Millet (1814-1875) en Théodore Roussau (1812-1867).

Belangrijke inspiratiebron was de Hollandse landschapschilderkunst uit de 17e eeuw. Ze werden natuurlijker bevonden dan de Franse landschappen van Poussin en Lorrain. Door de ‘Hollanders’ leerden zij de natuur op een andere manier te bekijken. Een rechtvaardiging van deze visie vonden zijn in het werk van Constable.

Aanvankelijk werd de nieuwe visie op het landschapsschilderen moeilijk geaccepteerd. Ze konden doordat ze ter plekke werken niet lang aan een schilderij besteden, het werk was volgens de gevestigde orde ‘onaf’.


De gevestigde schilderkunst

Nauw gelieerd met de Académie des Beaux-Arts à academische schilderkunst. Opleiding: tekenen naar prenten en schilderijen, vervolgens naar gipsen kopieën van beelden uit de oudheid en later naar levende modellen. Daarnaast kopieerden zij werk van hun leermeesters. Het belangrijkste genre was het historieschilderstuk. Voornamelijk geschilderd voor overheidsgebouwen. De stijl is classicistisch, elk detail is af. Vrouwen worden verheven tot ideale schoonheid. Phryne voor de rechters (1861) door Jean Léon Gérôme (1824-1904).


De salon

De salon van de schilderkunst, grafiek, beeldhouwkunst en bouwkunst van levende kunstenaars. Jaarlijkse tentoonstelling die van staatswege werd georganiseerd. Op de salon werden duizenden werken tentoongesteld, geselecteerd door een jury.

Met de opkomst van de bourgeoisie was er een enorm potentieel aan kunstkopers ontstaan. De schilder werkte niet meer in opdracht, maar werd zelfstandig en vrij. De kusthandel kwam tot grote bloei.

In 1863 kwam er een alternatieve salon voor de geweigerde werken. Dit waren meestal tweede en derde rangs academische schilders. Slechts enkelen die wij nu rekenen tot de voorlopers van de Franse moderne kunst waren er vertegenwoordigd: Camille Pis sarro (1830-1903), Paul Cézanne (1839-1906), Johan Barthold Jongkind (1819-1891) en Edouard Manet (1832-1883).


Realisme en impressionisme

In de loop van de eeuw was de belangstelling voor het historiestuk verschoven naar het kleinere genrestuk, een realistisch aandoende, verhalende voorstelling uit het dagelijks leven, minder pathetisch maar wel vaak sentimenteel.

De schilders van Barbizon hadden al een nieuwe toon gezet: zij namen bij voorkeur de eenvoudige natuur als onderwerp. Gustave Courbet (1819-1877) schilderde op een groter formaat als gebruikelijk en met een andere iconografie. Hij verbeeldde in zijn werken een niets verhullend realisme waarin ook een lage sociale klasse een plaats kreeg. De harde ongeïdealiseerde weergave van zijn werken werden als schokkend ervaren.

Als het gevolg van het schilderen en plein air raakte een genre in zang dat te zien is als een fusie tussen het landschap en het figuurstuk en door de impressionisten vaak is toegepast, Dèjeuner sur l’herbe uit 1863 is hier een vroeg voorbeeld van.

De forse, schetsmatige penseeltoets van het buiten schilderen, dat steeds populairder werd, verdrong geleidelijk aan de gladde academische schilderwijze. De weergave moest zelfs zoveel mogelijk momentgebonden zijn. De schilder gaf hiermee zijn persoonlijke belevenis weer. Zij schilderden met heldere, pure kleuren en probeerden de lokale kleur zoveel mogelijk te benaderen.

Het eerste begin van het inpressionisme lag in de vriendschap tussen een aantal kunstenaars: Renoir, Monet, Afred Sisley (1839-1899) en Frédéric Bazille (1841-1870), Cézanne, Pissarro, Berthe Morisot (1841-1895) en Edgar Degas.

De geschiedenis van het impressionisme is nauw verbonden met de salon in die zin dat van de meeste van hen het werk dikwijls werd geweigerd.

De schilders organiseerden zich in de naamloze vereniging van schilders, beeldhouwers, gravauers enzovoorts en organiseerden zelf tentoonstellingen.

De nadruk van hun werk lag op het moderne leven. De inzendingen voor de eerste tentoonstelling waren verre van homogeen.

De meeste critici schreven afbrekende kritieken. Een voorstander was de romancier en criticus Emile Zola (1840-1902). In hun werk herkende hij het realisme dat hij zelf in zijn romans propageerde; in de literatuur staat deze stroming bekend als het naturalisme.

Wie nu precies tot de impressionisten behoorden en waarom is niet eenvoudig te zeggen. Stijl of thematiek kunnen een criterium zijn. Soms worden alle deelnemers aan de tentoonstellingen (1874-1886) tot de impressionisten gerekend. De enige die aan alle acht meedeed was Pissarro, terwijl Manet er bewust een enkele keer bij was.

Van een hechte eenheid of één achterliggende gedachte was nauwelijks sprake. De kunstenaars noemden zich onafhankelijken of realisten.


Invloed van de fotografie

Hoewel er al eerder vormen waren, wordt het begin van de fotografie gedateerd in 1839. Sommige schilders van Barbizon gebruikte deze vroege vormen van fotografie als voorbeeld en geheugensteun.

Een veel gehoorde klacht was dat de fotografie onpersoonlijk en zielloos was, i.t.t. tot de persoonlijke belevenis van de schilder.

De ‘objectief’ vastgelegde werkelijkheid heeft zeker de manier van kijken van de impressionisten beïnvloed.

De fotografie maakte eind jaren vijftig en in de jaren zestig een snelle ontwikkeling door. Al in 1858 was een sluitertijd van 1/50 seconde mogelijk. Beweging kon nu bevroren worden.

In het werk van de inmpressionisten komen vaker afsnijdingen voor, figuren die uit beeld verdwijnen.

Van groot belang voor het begrip van beweging waren de momentopname van Muybridge (1830-1904). Voorheen werden paarden altijd met gestrekte benen weergegeven.

Toen in de jaren tachtig de Kodak boxcamera verscheen, werd het medium voor een grotere groep toegankelijk. Degas kon nu zelf foto’s maken.


De Haagse school

De Haagse school is ongeveer tegelijkertijd met de ontwikkelingen in Frankrijk ontstaan. Men was hier meer georiënteerd op de School van Barbizon. Willem Roelofs (1822-1897) reisde drie maal naar Barbizon en Fontainebleau. In Nederland werd ook werk geëxposeerd van de school van Barbizon.

De Nederlanders die zich lieten inspireren door de School van Barbizon werden al in 1875 de Haagse School genoemd. Een verzamelnaam voor een groep schilders die landschappen en genrevoorstellingen naar de natuur schilderden en bijna allen in Den Haag woonden. De beweging floreerde tussen 1875 en 1890.

Belangrijke vertegenwoordigers waren Jozef Israëls (1824-1911), Jacon en Willem Maris (1837-1899, 1844-1910), Anton Mauve (1838-1888), Hendrik Willem Mesdag (1831-1915) en Willem Roelofs. Hun streven was de stemming en de poëzie van het landschap weer te geven.

Ze schilderden bij voorkeur een ‘vuile’ dag in grijze, stemmige toonschakeringen in een brede en forse manier van schilderen.

Vincent van Gogh (1853-1890): zijn eerste geschilderde werken tonen de invloed van de Haagse School. Na een verblijf van een jaar in Den Haag vertrok hij naar Drenthe en vervolgens naar zijn ouderlijk huis in Nuenen. Hij legde zich toe op het figuurstuk en maakte vele studies van de Brabantse boerenbevolking. Hij zette zich af tegen academische trant en de onnatuurlijke verstilling van de fotografie. In 1886 vestigde hij zich in Parijs, waar zijn broer Theo werkte bij de kunsthandel Goupil. Goupil hield vast aan de academische stijl.


Neo-impressionisme

Nog voordat het impressionisme vaste voet aan de grond had gekregen in Parijs traden er andere vernieuwingen op in de schilderkunst.

Georges Seurat (1859-1891) ontketende een ware revolutie (no. 70). Hij creëerde op basis van de kleurentheorieën van de natuurkundige Ogden Rood en Michel-Eugène Chevreul een geheel nieuwe schildertechniek. Hij wilde een rationele, wetenschappelijke basis leggen voor de schilderkunst. De boven genoemde theorieën beschrijven hoe harmonie te verkrijgen is door contrasterende en door ‘simultane’(gelijkwaardige) kleuren naast elkaar te zetten, en hoe kleuren elkaar versterken en intenser lijken wanneer ze naast hun ‘complementair’ worden geplaatst.

De constatering dat de materiële gekleurde verf zich anders gedraagt dan gekleurde lichtstralen was geheel nieuw.

Seurat probeert door de materie van de verf aan te brengen in stippels (pointillisme) de suggestie van immaterieel, stralend licht op te roepen.

Félix Fénéon noemde deze stroming het neo-impressionisme. Een aantal kunstenaars had zich inmiddels aangesloten bij Seurat, onder wie Paul Signac (1863-1935) en de impressionist Camille Pissarro. Signac publiceert een boek over de theorie van het neo-impressionisme.

Van Gogh werkte in het voorjaar van 1887 veel samen met Paul Signac. Hij maakte gebruik van de pointillistische techniek maar zonder de strikte normen van Seurat over te nemen.


De grenzen van de werkelijkheid

Tegen het einde van de negentiende eeuw begonnen avant-garde kunstenaars de grenzen van de werkelijkheid af te tasten. Vanuit een belangstelling voor de ‘werkelijkheid’ boven het leven van alledag (symbolisme) of voor een sterkt geabstraheerde of fantasierijke visie op de realiteit, wat uitmondde in kubisme en het surrealisme. Parijs was hiervoor een belangrijk centrum.

In 1909 ontstond hier ook het futurisme, een Italiaanse beweging. Anders dan de hiervoor besproken bewegingen, die min of meer natuurlijk uit de gangbare kunst voortkwamen, is het futurisme abrupt in het leven geroepen in een krantenartikel door de Italiaanse dichter Filippo Marinetti (1876-1944) in 1909. Hij pleitte voor een verheerlijking van de jeugd, van snelheid, elektriciteit en machines à futurisme. Wat oud was diende vernietigd te worden.

In 1910 verscheen het Manifest van Futuristische Schilders, ondertekend door zeven Italianen: Marinetti, Carlo Carrà (1881-1966), Umberto Boccioni (1882-1916), Gino Severini (1883-1966), Giacomo Balla (1871-1958) en twee schilders die zich al spoedig weer terugtrokken. Er werd met geen woord gerept over hoe een futuristisch schilderij er uit zou moeten zien. Het Technisch Manifest, dat twee maanden later verscheen, ging daar wel verder op in.

Universeel dynamisme: de benoeming van het idee dat object, tijd en ruimte met elkaar in verband staan. Uitingen hiervan zijn Interpenetratie (wederzijdse doordringing) en simultaniteit (allerlei dingen gebeuren tegelijkertijd).

Het futurisme beperkte zich niet alleen tot de schilderkunst, ook poëzie, literatuur, film, theater, muziek, fotografie en architectuur.

De beweging is vooral te lokaliseren in Noord-Italië en met namen in Milaan.

Men organiseerde ‘futuristische avonden’ die meestal eindigden in een rel.


| Index | Kunst | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (2000)