Landschapsschilderkunst
Reindert Falkenburg
Het landschap als zelfstandig genre in de westerse schilderkunst is een vinding van de zestiende eeuw. Voor de 16e eeuw toegepast als verlengstuk van de christelijke iconografie. Als achtergrond in altaarstukken of als illuminaties in getijdenboeken.
Het realistisch landschap in de 16e en 17e eeuw
Antwerpenaar Joachim Patinir (ca. 1485-1524)
Zuid-Duitse schilder Albrecht Altdorfer (ca. 1480-1538) à verzelfstandiging van het landschap.
Altdorfer maakt natuurgetrouwheid ondergeschikt aan de persoonlijke stijl. Stijl als een subjectief expressiemiddel van natuurbeleving à Landschap met Joris en de draak (1510).
Patinir reduceert religieuze figuren tot nietige dimensies in het landschap. Het landschap zelf breidt hij uit tot een weids panorama dat een grote hoeveelheid en variëteit aan motieven bevat.
Patinirs wijze van landschapsschilderen heeft, anders dan Altdorfer, direct en vrij massaal navolging gekregen. Patinirs schilderijen zijn op de eerste plaats constructies die in sterke mate berusten op oudere conventies en schema’s. Drie grondkleuren: bruin voor de voorgrond, groen voor het middenplan en blauw voor de achtergrond.
Patinir gebruikt een hoge horizon. Twee gezichtspunten: de van de onderste rand tot aan de horizon opeengestapelde plans suggereren een vogelperspectief, terwijl de afzonderlijke bomen, rotsen, gebouwen en figuren in aanzicht zijn geschilderd.
Stoffagefiguren: Ondergeschikte figuren als onderdeel van een landschap.
Navolgers van Patinir: Cornelis Masays, Jan van Amstel en Henri met de Bles (allen werkzaam tussen 1535 en 1565).
Pieter Bruegel (ca. 1527-1569): meer natuurlijke landschappen. Geen literaire of religieuze vertelling bepaalt meer de inhoud van de voorstelling, maar de natuur zelf. Zijn landschappen sluiten aan bij Patinirs wereldlandschappen, maar ook bij de cartografische conventies van zijn tijd à Abraham Ortelius (1527-1598). Bruegel laat het bruin-groen-blauw schema achter zich om dit te vervangen door een meer suggestief kleurgebruik..
Bruegels grote vernieuwing: verregaand ‘realisme’. Hij maakte veel landschapstekeningen in de natuur. Een sterkere illusie van ruimte dan bij Patinir.
De landschapsschilderkunst in de tweede helft van de 16e eeuw hebben zich in het algemeen meer georiënteerd op het anekdotische idioom van Patinir en navolgers dan op Bruegels realisme en suggestieve ruimtewerking.
Haarlem begin 17e eeuw: nieuwe vorm van landschapsschilderen.
Gravures van Hendrick Golzius (1558-1617) en Claes Jansz. Visscher (1587-1652). Landschappen naar het leven.
Jan van Goyen (1596-1656). In het begin volgde hij de stijl van zijn leermeester Essaias van velde (1587-1630). Van Goyen gebruikte één laag gezichtspunt (lage horizon). Hij gebruikt de stoffering om ruimtelijkheid te bewerkstelligen. Voorgrond vrij bont, naar achteren toe meer één grijsblauwe kleurtonaliteit. Vanaf ca. 1626 heeft van Goyen deze middelen aangewend met nog grotere consistentie. Het anekdotische in de figuurstoffage wordt tot een minimum beperkt. Grote reductie van het kleurpallet. Van Goyen heeft een bij uitstek schetsmatige manier van schilderen; vrij grove en snelle penseelvoering, grote productie.
Wedstrijd geschilderd tegen Jan Porcellis, deze ging veel bedachtzamer te werk. Keurlijker en natuerlijckheyt (van Hoogstraeten) Volgens van Hoogstraeten van Goyens werk volder van werk.
Jacob na Ruisdael (1628-1682): grootste Hollandse landschapsschilder van de zeventiende eeuw. Weloverwogen selectie van motieven, uitgebalanceerde compositie.
Sluit in begin aan bij het landschapsidioom van Van Goyen en zijn oom Salomon van Ruysdael (ca. 1600-1670). Hij voegt een gevoel voor het dramatische, indrukwekkende en onheilspellende toe. Immense dreigende luchtpartijen. Eén dominant motief (een gebouw), in verhouding tot het omringende landschap overdreven groot weergegeven. Hij schildert voornamelijk uitheemse landschappen. Reizen en de landschappen van Allart van Everdingen (1621-1675) - Scandinavische landschappen – als inspiratiebron.
Het idealiserende, italianiserende landschap in de 17e eeuw
Vlaming Paul Bril (1554-1626), omstreeks 1580 naar Rome en werkt daar als schilder van landschapsfresco’s. Vanaf circa 1600 schildert hij eigen landschappen die erg populair waren. Op de voorgrond altijd een bijbelse of mythologische scène. Brils landschappen hebben navolging gevonden in Cornelis van Poelenburgh (ca. 1586-1667) en Herman Swanevelt (ca. 1600-1655), de eerste generatie ‘italianisten’ - warme gloedvolle belichting, opvallende kleurcontrasten en een levendige stoffering.
Tweede generatie italianisten: Nicolaes Berchem, Jan Both (ca. 1615-1652) en Jan Asselijn (ca. 1610-1632) à schetsen gemaakt in Rome, gefantaseerde landschappen geschilderd in de Nederlanden.
Fransman Claude Lorrain (1600-1682). Aanzienlijke invloed van het werk van Bril, Poelenburgh en Swanevelt. Landschappelijke motiefkeuze, pastorale stoffage en bijzondere aandacht voor het zachte Italiaanse zonlicht. Hij schept een idyllische droomwereld waarin mens en natuur in vrede en harmonie met elkaar zijn. Hij schilderde vaak pendants, zelfde voorstelling met verschillende lichtinval. Bij Claude overheerst één goudgele kleurtonaliteit, waarbinnen van voor- naar achtergrond een in zeer fijne gradaties verlopende toename van lichtintensiteit waar te nemen is.
Jan Both, Veedrijves in italianiserend landschap (1641-52). Het avondlicht is warmer en helderder, ruimtelijke recessie wordt veroorzaakt door de compositie.
Terwijl bij Claude de (tegen)lichtschildering in dienst staat van de algehele atmosferische werking, is ze bij Both doel op zichzelf (lichtvertelsels).
Het stemmingsvolle landschap ten zijnde van de romantiek in Engeland en Duitsland
John Constable (1776-1837), een eigen, geheel persoonlijke opvatting van het landschap. Naar Constables idee moest het natuurlijke landschap gebaseerd zijn op uitvoerige en directe studie naar de natuur. Hij maakte schetsen in de natuur en werkte deze uit in het atelier.
Het feitelijke en significante verschil met zijn voorgangers is hierbij dat de motiefkeuze en de hele constellatie van het definitieve schilderij bepaald wordt door Constables oorspronkelijke natuurstudies - en niet omgekeerd, zoals tot nu toe meestal het geval was. De persoonlijke voorkeur, associaties en herinneringen van de schilder staan voorop.
Vanaf 1814 maakt hij schilderijen die tot en met de laatste afwerking in de natuur zijn gemaakt. Het plein-air schilderen, dat via de Fransman Jean Baptiste Corot (1796-1875) en de school van Barbizon zou culmineren in de beweging van het impressionisme.
Het landschap als uitdrukking van de gevoelswereld van de schilder.
Caspar David Friedrich (1774-1840). Het landschap als een expressie van de persoonlijke natuuropvatting en beleving van de schilder. Het grondthema van zijn kunst is de relatie tussen kunstenaar en natuur. Zijn landshappen zijn tot op zekere hoogte fantasieconstructies. Fijn-realistische schildertechniek, aandacht voor atmosferische verschijnselen en natuurlijke lichteffecten. Het schildert een stemmingsbeeld van de natuur. Hij gebruikt landschapsmotieven die een specifieke betekenis hebben. Zijn landschappen weerspiegelen de opvatting dat de kunstenaar als en priester de goddelijke werkelijkheid in zijn werk zichtbaar dient te maken. Een sacramentale landschapsopvatting, geworteld in een protestants piëtisme en natuurmystiek. Hij reduceert daartoe het aantal herkenbare elementen tot een minimum.
Moderner daarentegen is een hele groep landschappen waarin openlijke religieuze toespelingen ontbreken en waarin de mens letterlijk tegenover de natuur wordt geplaatst. Een figuur met de rug naar de beschouwer als plaatsvervanger van de beschouwer.
Het landschap bestaat alleen in en vanuit de waarneming van het individu. De consequentie van dit inzicht werd pas getrokken in de landschapsschilderkunst van de late 19e en vroege 20e eeuw, waarin subjectiviteit verabsoluteerd werd.