Stenen monumenten

Frits Scholten


De oudheid als bakermat

De wortels van de West-Europese grafbouwkunst liggen in de vroegchristelijke en antieke cultuur.

Retrospectieve monument à grafmonument dat terugkijk op het leven van de overledene.

Prospectief monument à grafmonument dat vooruitblikt op het leven na de dood, de heilsverwachting.

Retrospectieve monumenten tonen een geïdealiseerde afbeelding van de gestorvene, soms inclusief nabestaanden: De stele van Hegeso.

Epitaaf: eenvoudig, hangend grafmonument, niet noodzakelijk bij het graf zelf. Epitaph (Engels): grafschrift.

In de Romeinse tijd vinden we grafreliëfs met nissen waarin de portretten van de overledene, al dan niet met naaste familie, zijn verwerkt of tabletten met inscriptie.

Sarcofaag (Grieks: vleeseter): Prometheus sarcofaag.

Uitgebreide decoraties aan de buitenzijde, portret van de overleden op het deksel, naar Etruskisch voorbeeld. Liggend of half opgericht weergegeven, alsof de gestorvene slaapt.

Romeins schema met twee basiscomponenten: het (levende) portret van de gestorvene en toepasselijke nevenvoorstellingen op de wanden.

Voor veel sarcofagen geldt dat retrospectieve en prospectieve elementen naast elkaar voorkomen.

Simpelveld Sarcofaag: prospectieve afbeeldingen aan de binnenkant.


Vroegchristelijke monumenten

Sarcofaag van Junis Bassus, geheel volgens Romeinse traditie vormgegeven met christelijke iconografie.

Eenvoudiger uitgevoerde decoraties op vroeg christelijke grafkisten variëren meestal binnen een beperkt repertoire van christelijke thema’s en symbolen. Verbeelding van het lijden van Christus ontbreken geheel.


De herontdekking van het portret in de middeleeuwen

Vanaf de 5e eeuw nam de aandacht voor de identiteit van de overledene af. Gedurende ongeveer 500 jaar geen afbeelding van de overledene of grafschrift

Niet zelden was er bovendien sprake van hergebruik van oude sarcofagen, wat eveneens wijst op verwaarlozing van het individu.

Vanaf de 11e eeuw keerde de behoefte aan verpersoonlijking in de grafcultuur terug.

Volledig vrij gebeeldhouwde liggende figuur (gisant).

Gisant en de tombe: realisme en ideaal

In de 12e eeuw en de 13e eeuw werden vier soorten grafmonumenten ontwikkeld.

De ontwikkeling van de tombe met een overtuigende weergave van de dode was niet zonder problemen.

Grafplaat van hertog Widukind van Saksen (1130): staand portret liggend afgebeeld.

Graftombe van Dirk van Wassenaar (ca. 1470): overtuigende weergave van de liggende dode.


De transi-tombe

Een grafbeeld dat de mens in een zeker staat van ontbinding laat zien. De vroegste transi’s dateren van de late 14e eeuw. Transi’s zijn een afspiegeling van een nederigheidsbesef van de overledenen en een vanitas-boodschap, gericht op de nog levenden.

In de 15e eeuw volgt de ontwikkeling van de ‘dubbeldekker-tombe’: onder het lichaam als transi, boven het lichaam in ideale staat (eeuwig biddend).


Transformatie in de renaissance

Het gruwelijk realisme van de laat middeleeuwse graftombes ging aan Italië grotendeels voorbij. Hier verkoos men in het algemeen voor een kalme verbeelding van de gestorvenen voor de gisant.

Verschuiving van een heilsmonument naar een graf dat de verering en herdenking van de aardse diensten van de gestorvene herdenkt.

Viertal iconografische vernieuwingen:

Biografische details en deugden van de overledene waren in de middeleeuwen nog een exclusief aspect van de graftomben van (bijna) heiligen.


Barokke allegorieën

Vooral in de Rooms katholieke landen bloeide in de 17e en 18e eeuw de funeraire allegorie. De protestantse grafkunst hield zich bij realistischer beeldvormen aangevuld met bescheiden symbolische motieven.

Het thema van de wederopstanding leende zich bijzonder voor allegorische grafsculptuur. En ander thema is de strijd tussen de alles vernietigende dood (of de tijd) en de eeuwige roem van de overledene.

Begin 19e eeuw ontstaat de verering van het genie à Denkmalwut. Santa Croce te Florence, Panthéon te Parijs, Westminster Abbey te Londen etc.


| Index | Kunst | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (1999)