Het probleem van de wand: frescoschilderkunst in Italië

Jan de Jong

Techniek

De muur wordt bedekt met een laag grof pleister (arriccio) à goede hechting van de laag fijn pleister

Aanbrengen van de ondertekening

Aanbrengen van de fijne pleisterlaag (fresco intonaco)

Karton met voorstudie wordt over de fresco intonaco gelegd. De lijnen van de voorstudie zijn doorgeprikt en door de gaatjes wordt donker poeder (spolvero) geblazen, dat zich op de fresco intonaco hecht.

Het karton wordt verwijderd. Het ontwerp is nu aangebracht op de wand.

De natte fresco intonaco wordt beschilderd in giornata, dagdelen.


Groot deel van de Frescoschilderingen bevindt zich in Midden-Italië. Droog klimaat dus veel schilderingen zijn behouden gebleven. Bloei van de fresco vanaf 13e eeuw in Italië. Mozaïeken werden te duur.

Fresco stelt hoge eisen aan de kunstenaar:

zonder al te veel hulplijnen te kunnen schilderen, durf en vertrouwen in het eigen kunnen

werken in moeilijke posities, lastig perspectief

snel werken om uitdroging te voorkomen


veel voorbereiding, snelheid van werken, trefzekerheid en improvisatievermogen

Aanbrengen van correctie is alleen mogelijk door de fresco intonaco weg te hakken.

Secco: aanbrengen van schildering op de droge pleister. Meestal voor details en correcties toegepast.

Blauw werd meestal seco aangebracht omdat deze kleur lastig is in fresco. (het gewaad van de Heilige Maagd).

Plaatsgebondenheid

Frescoschildering kan (in principe) niet worden verplaatst.

Voorstelling is afhankelijk van de functie van de ruimte.

Men hield rekening met de plaatselijke lichtinval; gelijk aan de lichtinval op de voorstelling. Geen belangrijke scènes in een vensterwand vanwege het tegenlicht.

Omstreeks 1430 ontwikkeling van het centraalperspectief. Vanaf circa 1600 de ontwikkeling van het technisch perspectief.

De werkelijke ruimte loopt vaak over in de fresco. Men houdt in het perspectief rekening met de positie van de beschouwer. Speciale composities noodzakelijk bij vreemde vormen, bijvoorbeeld een boogvlak.

Soms wordt de wand verdeeld in meerdere voorstellingen.

Leonardo da Vinci - één verdwijnpunt en één voorstelling per wand.

Men gebruikte felle kleuren vanwege de over het algemeen slecht verlichte ruimten. Tegenwoordig zijn de fresco’s electrisch verlicht.

Ook vrijwel niet zichtbare delen van de wand werden beschilderd en van inscripties voorzien.

Tornabuanikapel, Domenico Ghirlandaio (1486-1490)

Alle hoofdpersonen geschilderd op dezelfde schaal;
Uitvoering uitgewerkte architecturale achtergrond;
Scènes corresponderen met elkaar, staan niet op zichzelf;
Iedere scène heeft een eigen verdwijnpunt;
Scènes van elkaar gescheiden door geschilderde klassieke pilasters, corresponderen niet met de architectuur van de kapel;
Kritiek door Leonardo da Vinci: één verdwijnpunt per wand op ooghoogte van de beschouwer.

Eén verdwijnpunt per wand;
Architecturale weergave sluit aan bij de architectuur van de kapel;
Omlijsting opgenomen in de voorstelling (Escher-effect).


Kunsthistorische ontwikkeling

Fresoschilderingen werden in Italië alleen al vanwege hun techniek hoog gewaardeerd.

Historieschilderkunst à vraagt veelzijdigheid van de kunstenaar (portretten, landschappen, compositie, perspectief). Kunnen worden uitgevoerd in alle mogelijke technieken (tempera, olieverf, fresco). Vrijwel alle fresco’s zijn historieschilderkunst.

Kernbergippen: perspectief, ruimte, gevoelens, belevingswereld van de toeschouwer à het streven om de toeschouwer bij de voorstelling te betrekken.

De fresco als middel om aan te zetten tot overdenking en inleving.

Giotto: weergave van individuele emoties, ruimte en volume. Alle schilders na Giotto zijn door hem geïnspireerd.

Leonardo da Vinci (Laatste Avondmaal) betrok de toeschouwer bij het Bijbelse gebeuren door individuele emoties en op ware grootte te schilderen.

Taddeo Gaddi werkte het aspect ruimtelijkheid verder uit.

Masaccio was de uitvinder van het centraalperspectief. Mensen worden geplaatst in een realistische omgeving.

Contemporaine elementen werden aan de historische voorstelling toegevoegd om het verhaal begrijpelijker te maken (middeleeuwse steden, portretten van contemporaine personen.

Albertini (1435): Een persoon die de beschouwer vertelt wat er aan de hand is opnemen in de voorstelling.

Kunsttheoretici Alberti en Vasari waren tegen het gebruik van overdadig goud en ornamenten.

Streven naar een steeds sterkere illusie van echtheid.

De opdrachtgever gaf aan wat er moest gemaakt worden met betrekking tot materiaalgebruik (dure kleuren, goud, ornamenten etc.) De waarde van de schildering ligt besloten in de compositie en kundigheid van de uitvoering.

Giotto en Mascoccio maakten veelvuldig gebruik van dure materialen (op verzoek van de opdrachtgevers). De nadruk in hun werk ligt sterk op de weergave van mensen met gevoelens in een realistische omgeving.


| Index | Kunst | vorige | volgende |


Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (1999)