Hoofdstuk 7 – Twee vorstelijke verzamelingen
Keurvorstelijke Galerij in Dresden
Christian Wilhelm Ernst Dietrich (1712-1774), vaardig in het imiteren van grote meesters, teneinde de kwaliteiten van hen te reproduceren, niet om hun werk na te maken Zo kon hij van alle meesters de beste kwaliteiten overnemen en die aan elkaar koppelen om hen te overtreffen.
Pas aan het eind van de 19e eeuw begon men dit soort imitatie pas lager aan te slaan dan originaliteit.
Behalve hofschilder was Dietrich sinds 1746 ook toezichthouder van de keurvorstelijke kunstgalerij in Dresden. Selectie en navolging vormden bij hem sleutelbegrippen.
August de Sterke – 1694-1733 -> groei verzameling
August III - 1733-1763 -> groei verzameling
Aankoopbeleid op kwantitatief en kwalitatief hoog niveau.
August de Sterke had een voorkeur voor NL genretafereeltjes, III voor Italiaanse barok. In totaal tezamen ca. 1.000 schilderijen tot ver over de grenzen beroemd.
Om te achterhalen waarom de NL schilderijen werden verzameld moet gekeken worden naar:
Toen Dietrich toezichthouder werd was de collectie ondergebracht in de hofstallen, voorheen rond de woon/slaap/representatievertrekken van de vorst. Deze tendens om de schilderijen-
verzameling los te maken van de dagelijkse bedrijvigheid doet zich voor vanaf de 1e helft van de 18e eeuw. Ze hadden echter nog steeds een hoofse functie. De representatieve functie werd hierdoor zelfs versterkt.
Het onderwerp werd van primair belang geacht. Thematiek bepaalde ook de indeling, zodat geen historiestuk tussen de als minder beschouwde stillevens en landschappen kwam te hangen.
Bij de inrichting van de hofstallen in 1840 werd het thematische ordeningsprincipe losgelaten. De verzameling moest nu een overzicht bieden van de schilderkunst in haar totaliteit. Italianen werden ook tussen NL gehangen, de verzameling was er niet alleen voor de pronk, maar ze probeerde ook een educatief steentje bij te dragen.
Christian Ludwig von Hagedorn – Betrachtungen über die Malerei – vertolkte als schrijver dat wat Dietrich schilderde – Saksisch diplomaat en kunstverzamelaar.
Hij wilde in zijn boek kunstenaars en kenners dichter bij ‘de principes van de schilderkunst’ brengen. Hij had het boek volgens zijn principes ingedeeld: thema, compositie, tekening, kleurgebruik, uitdrukking gemoedsbewegingen.
Hij wilde het waarnemingsvermogen van de beschouwer ontwikkelen, zodat schilderkunstige principes onderscheiden konden worden.
De landschapsschilder en historieschilder moeten even bedreven zijn in alle aspecten van de schilderkunst, alleen hoeft de landschapsschilder iets minder te weten van literatuur.
Alte Museum in Berlijn
Roger de Piles – vergelijking van ‘delen’ van schilderkunst om een schilderij te beoordelen (eind 17e eeuw) bleef aanhang vinden tot eind 18e eeuw. Toen werd deze methode als te mechanisch en normatief beschouwd. Nieuw was de bronnenstudie, historisch aanpak, waarbij het kunstwerk naar ontstaansvoorwaarden geanalyseerd werd.
Gustav Friedrich Waagen – 1833 – Rubens
Waagen drukte zijn stempel op het museum in Berlijn.
Alois Hirt had het intiatief genomen voor dit museum rond 1800 door uit vorstelijke verzamelingen te selecteren en tentoon te stellen aan het publiek. Het plan vormde een inhaalmanoeuvre t.o.v. Wenen, waar een dergelijk museum al bestond. Hirt bevindt zich met zijn ideeën met een been in de 18e en het andere in de 19e eeuw.
Wenen:
Gelijke kamers links en rechts voor Hollandse School en Italiaanse School, dus gelijkwaardig. Op de bovenverdieping Hollandse School chronologisch gerangschikt om ontwikkeling te laten zien. In Wenen werden de Duitse schilderijen nog tegenover de Hollandse gezet, in Berlijn gingen ze reeds samen, omdat D + NL als ontwikkeling redelijk gelijk waren, en tegenover de ontwikkeling van de Italiaanse schilderijen werden gezet.
Doelstelling museum Berlijn:
Inrichting volgens kunstprincipes van Waagen, Rumohr en Schinkel
Wenen: genres vanuit gezichtspunt van stadium en tijd, meesters vanuit tijdloze bloei
Berlijn: onderscheid genres niet langer van wezenlijk belang, al werd verschil nog wel geaccentueerd in de indeling in de zalen
Smaakverandering: schilderijen van Adriaen van der Werff hoog gewaardeerd door Frederik de Grote, in een hoekje weggemoffeld in Berlijn, wegens gebrek aan ‘Eigentümlichkeit’.
Hoofdstuk 8 – 17e eeuwse schilderkunst door politieke brillen
Wat vindt men in de laatste jaren in de kunstliteratuur typerend voor de 17e eeuwse Hollandse kunst: realisme, eerlijkheid, eenvoud, huiselijkheid, burgerlijkheid, vrijheidszin. Wars van geleerdheid en franje. Lairesse en Van der Werff met hun geleerde kunst, heetten on-Nederlands te zijn. Lairesse als theoreticus Groot Schilderboek – 1707 – kon evenmin genade vinden.
Nationalisme: verheerlijking van alles wat van eigen bodem stamt, al of niet gepaard met afkeer van het vreemde kan een politieke lading krijgen. Soorten geschriften:
Rechts radicale visie
Nationaal-socialistisch of facistisch
A.F. de Mirande – bekritiseerde Van Manders bewondering voor de Italianen, hij zou ervoor gezorgd hebben dat NL schilders ‘overliepen’ naar de Italiaanse manier van schilderen. Gebruik van woorden als: volkswezen, bloed en bodem
Weekblad ‘De Waag’ – 1937 – anti-internationaal en reactionair karakter, in toenemende mate pro-Duits, tijdens oorlog tot SS-ideologie bekeerd.
Edzard Modderman – Johannes Vermeer ‘zuiver op de graat’, aan een schilderij dat toch wat dubieus was, werd een Germaanse draai gegeven.
Dirk Hannema – directeur Boymans en gevolmachtigde van ir. Mussert
Frans Vermeulen – handboek tot de geschiedenis der Nederlandsche bouwkunst – 1941 – haalt ‘bedenkelijke’ Joodse invloed aan – joodse naast Franse invloed in de 17e eeuw, anit-semitisch.
Schilderij ‘de eed van Julius Civilis’, Rembrandt als schilder van nat.-soc. ideaaltype.
Rembrandt volgens extreem rechts
Ivo Schöffer – nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden – volgens hem werden in WOII Rembrandt en Michiel de Ruyter door het nat.-soc. als volkshelden vereerd
Julius Langbehn – Rembrandt als Erzieher – 1890 – pro-nazistisch, ageerde tegen wetenschap, bepleitte herleving van oude Germaanse deugden, Rembrandt als profeet van gerestaureerd ‘Deutschtum’.
Tobie Goedewaagen – De Schouw – 1942 – Rembrandt als Germaan bij uitstek
Marxistische en socialistische visie
Links is idealiter sterk internationaal gericht.
Karel van het Reve – 1954 – Sovjet-annexatie der klassieken – wijziging interpretatie schilderijen halverwege jaren ’30.
Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst als politieke theoretici en redacteuren van maandblad De Tijd – vanaf 1896, orthodox-marxistische rol binnen SDAP.
Adema van Scheltema – 1922 – kunstenaar en samenleving - wel beschrijvingen over 17e eeuwse kunst, maar geen theoretische bespiegelingen vanuit sociaal perspectief. Sociaal-democraten geven vaak de voorkeur aan nog levende kunstenaars.
Just Havelaar – religieus-socialistisch schrijver en criticus – zeer invloedrijk begin 20e eeuw.
Subtiel marxisme van Jan en Annie Romein in Erflaters van onze beschaving
Theun de Vries – communistische beweging
Jaromir Sip – tsjechische kunsthistoricus, historisch-materialistisch – 1955, mogelijk geschreven met het boek van Arnold Hausers – 1951 – Social History of Art
Twee andere buitenlandse auteurs zijn van invloed geweest po marxistische kunstbeschouwing in Nederland:
Rembrandt wordt door beide uitvoerig behandeld, Frans Hals krijgt bij Berger aandacht.
Rembrandt bij Hauser slachtoffer van de vrije-markteconomie, bij Berger een vertegenwoordiger van het kapitalisme. Bij Hadj. is Rembrandt veel complexer. Rembrandt als proto-communist.
Hoofdstuk 9 – Bronnenstudie en stilistiek
Begin kunstgeschiedschrijving vindt vooral in Duitsland een vroeg begin. Holland in de 17e eeuw een geliefd onderwerp, want:
In NL zelf kwam kunstgeschiedschrijving laat op gang, pas rond 1850, o.a. Paul Scheltema en Carel Vosmaer.
Tegen de invenatirserende tendens in, komt er in DE en AT een groep jonge kunsthistorici die daar tegenin gaan. Ze zoeken naar een nieuwe methode om voor het eerst in termen van stijl te gaan definiëren en verhouding tussen stijlen onderling vast te stellen.
Waarheid van NL schilders
Compilatiewerken:
Hoogtepunt van overzichtswerken (ook) begonnen in DE, waar de ontwikkeling van de beeldende kunsten, ingedeeld naar land en tijd, uiteengezet werden. In de jaren ’50 van de 19e eeuw kwam dit onderzoek ook in NL op gang. NL kunst moest nog meer in aanzien stijgen, en dan vooral Rembrandt. Allereerst moest echter de nog steeds twijfelachtige reputatie van het eigen schildersleven opgevijzeld worden.
Paul Scheltema spoorde archiefstukken over Rembrandt op om te bewijzen dat de negatieve verhalen nergens op berustten.
Eduard Koloff (zie H6) was al gericht op een meer historisch gefundeerd werk over Rembrandt.
Rijksmuseum Amsterdam – 1885 – schepping van Cuypers. Op tegeltableaus aan de buitenkant worden 17e eeuwse schilders voorgesteld als bewuste, vrije burgers die werken aan een vrije kunst. Na opening onmiddellijk stroom van kritiek: tegen overvloedige decoratie, slechte belichting van De Nachtwacht etc.
Hoe meer info over schilders, schilderijen, levensfeiten men naar boven haalde, deste minder samenhang vertoonde het beeld van de Nederlandse kunst.
Vanaf ca. 1900 was het leven van de schilder niet langer een onverbrekelijk geheel met diens werk en de schilder als kunstenaar kon los worden gezien van de schilder als mens, als historisch persoon. Kunstwerken werden ook minder opgevat als spiegel van de samenleving waarin ze waren ontstaan.
Hofstede de Groot en Bredius legden de nadruk meer op de schilderachtigheid van de kunst, dan op de diepzinnigheid van de onderwerpen (zoals bijv. Thoré). Fromentin had het loszien van diepzinnigheid naar voren gebracht in zijn Les maitres d’autrefois. De Stier van Potter en De Nachtwacht werden door hem als mislukte werken beschouwd. De Hollandse schilders hielden zich volgens hem bezig met het zo goed mogelijk schilderen van al wat hen omringde en niet meer dan dat.
Zo kwam Fromentin met zijn visie op de NL kunst in de buurt van opvattingen van de impressionisten, die ook onderwerp van onderschikt belang was aan het schilderen zelf.
Kunstwissenschaft en Hollandse Stijl
Riegl en Wölfflin -> geen feiten meer, maar ‘innerlijke’ geschiedenis van de kunst. Analyse van stijlen en hun verhouding tot elkaar.
Riegl -> ‘Kunstwollen’, aan de hand van het groepsportret probeert hij het Hollandse ‘Kunstwollen’ te achterhalen. Hij baseert het echter op vooronderstellingen betreffende het karakter van de NL samenleving. Hij maakt wel scherp onderscheid tussen wat de 17e eeuwer zag en wat de moderne mens graag in de 17e eeuwse kunst wil zien. Voor Riegl vormde Rembrandt een onderdeel van de barok.
NL kunsthistorici en de Kunstwissenschaftliche benadering
Schmidt-Degener en Willem Vogelsang zijn een aanhangers van de nieuwe methode volgens Riegl en Wölfflin. Kunsthistorici in NL begonnen langzaam oog te krijgen voor het feit dat de Hollandse kunst in de 17e eeuw zich wel degelijk met het door de 19e eeuwgehate allegoriseren had ingelaten.
Vanaf de jaren ’30 gingen de NL kunsthistorici er toe over om juist dat te bepalen wat niet de basis van de Hollandse kunst vormt.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Evelyn Ligtenberg (2002)