Hoofdstuk 12 – de schilder in zijn wereld

 

Ontwikkeling van vraagstelling en methodiek in de kunstgeschiedenis van de 19e eeuw liep parallel aan die van de geschiedwetenschap.

1907 – 1e leerstoelen kunstgeschiedenis in Leiden (Wilhelm Martin) en Utrecht (Vogelsang). Vogelsang noemde de groep om Martin ‘de clan Martin’, waaronder ook diens promotor P.J.Blok.

Twee benaderingen

  1. Esthetische richting volgens Martin een reactie op de ‘al te ver doorgevoerde bronnenstudie’. Slechts in een samenhangend verband hadden bronnen zin. Martin streefde naar integratie van alle kunsthistorische feiten, niet alleen documenten maar ook inzichten. Bredius had veel oorkonden etc. vertaald om als bouwstenen voor dit soort theorieen te fungeren (volgens eigen zeggen).
  2. Individueel kunstwerk, of individuele kunstenaar van ondergeschikt belang. Cultuurhistorische of economisch- en sociaal-historische belangstelling voor kunsthistorisch onderzoek, ook genaamd ‘richting-Floerke’ naar grondlegger Hanns Floerke.

Blok pleitte voor geschiedschrijving van beschaving en volkshuishouding geintegreerd met politiek.

Martin promoveerde in 1901 op ‘het leven en werken van Gerrit Dou’.

Opzet:

kortom een moderne oeuvre-catalogus

Hanns Floerke is de vader geworden van het onderzoek naar het economisch functioneren van de NL kunstenaars als beroepsgroep. In NL moest een grote vraag naar schilderijen hebben bestaan en hij wilde graag weten waar die vandaan kwam. Hij voegde nog hoofdstukken toe over atelierpraktijk en invloed van verzamelaars op de prijsvorming.

Martine maakte in geringe mate gebruik van archivalia, Floerke helemaal niet, gebruikte ook nauwelijks schilderijen als bron. Hij wilde uit alle beschikbare literatuurgegevens een algemeen geldend beeld schetsen.

Volgens John Evelyn (1641) waren schilderijen in NL een goede belegging, aangezien er geen grond was om in te beleggen. Schilderijen waren relatief goedkooop. Deze bewering bleek onhoudbaar.

Floerke leerde sociaal-economische ondergrond van Stephan Bauer, zijn studiebegeleider.

Kunsthistorici en de socials kwestie.

De opkomst van de sociale geschiedenis van de kunst houdt direct verband met de sociale geschiedenis in het algemeen (snelle industrialisatie, algemeen kiesrecht, politieke verzuiling in NL)

Martins erfgenamen

Archiefonderzoek en genealogie van groot belang bij sociaal-historisch onderzoek naar kunstenaars die veel werk in opdracht maakten.

Hendrik Wijnman – adjunct-bibliothecaris van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek – 1959 – bundel artikelen Uit de kring van Rembrandt en Vondel. Verzamelde studies over hun leven en omgeving.

Haverkamp-Begemann – monografie over de Nachtwacht, veel gebruikelijker is een monografische studie over het oeuvre van een schilder.

Vroege pogingen om tot een kunstenaarsbiografie te komen:

  1. 1909 – Bredius over schilder Johannes Torrentius, gespecialiseerd in illusionistische stillevens, zou rol hebben gespeeld bij Rozenkruisers. Kreeg 20 jaar tuchthuisstraf en ging naar Engeland. Schilderde daarna niet meer. Bredius was kennelijk diep onder de indruk van het materiaal dat hij vond, want hij drukte het bijna integraal af en analyseerde niets.
  2. 1944 – Derk G. Hoek het Raadsel van Arend en Hendrik Goudt – Hoek ging uit van de vooronderstelling dat Hendrik een bastaard zou zijn geweest van Willem van Oranje. De kunsthistorische betekenis van Goudt kwam nauwelijks uit de verf. Voldoet niet aan de door Martin gewenst integratie.

Gary Schwartz – Rembrandt. Zijn leven, zijn schilderijen – 1984 – streefde naar een historische reconstructie van Rembrandts leefwereld. Hoefde zelf geen archiefonderzoek te doen, maar gebruikte publicatie van de Rembrandt Documents van Strauss en V.d.Meulen.

Vervolgens pakte hij Pieter Saenredam ,de schilder in zijn tijd. Hier speelde archiefonderzoek een grote rol.

In 1989 verscheen John Michael Montias – Vermeer and his milieu – zowel richitng Martin als Floerke.

Erfgenamen van Floerke

Godefridus Joannes Hoogewerff. Ging in 1903 studeren bij Gerhard Wilhelm Kernkamp, voorstander van geengageerde geschiedschrijving en historisch materialisme.

Zijn onderzoek speelde zich voornamelijk af in Rome – 1909-1950 – Italiaans bronnenmateriaal m.b.t. daar werkzame NL kunstenaars en geleerden. Boek: de Bentvueghels 1952 over de organisatie van NL schilders in Rome. Al in 1947 publiceerde hij de geschiedenis van de St.Lucasgilden in NL. Positief oordeel over gilden, boden maatschappelijke zekerheid en scholing waar geen moderne kunstacademie aan kan tippen.

Van Eeghen – artikel over Amsterdamse gilde – openbare schilderijenverkopingen.

Miedema – boek over Haarlemse gilde – schilders vormden een ambacht als ieder ander.

Opvolger op Hoogewerffs boek over Lucasgilden is inmiddels gewenst met de nieuwe inzichten.

Atelierpraktijk

Tentoonstellingen in Nijmegen – 1964 en Delft en Antwerpen – 1964 4en 1965. Rembrandt Research Project – kopieren en meewerken aan werken van meesters als onderwerp. Meeste van Rembrandts medewerkers stamden uit gegoede familie.

2 opleidingsmodellen:

  1. leerling werkte mee in atelier en leerde al doende het vak
  2. leerling volgde ‘academisch’ programma waarin de meester hem intensief les gaf.

Immigratie van kunstenaars uit zuidelijke Nederlanden

Jan Briels heeft aandacht besteed aan deze immigratie in 1976. Archiefonderzoek in combinatie met demografisch, kunsthistorisch en genealogisch materiaal. Groot-Nederlandse gedachte.

Economisch-historische benadering

Amerikaanse New Economic History – Montias – Yale University, begon onderzoek in 1975 in Delft.

Enkele aspecten:

  1. schildersleerlingn kwamen uit gegoede families
  2. kritische massa – aantal kunstenaars dat minimaal aanwezig moest zijn om een ‘school’ in stand te houden
  3. gebruik van boedelinventarissen als bron

Kostenbesparende vernieuwingen als snel en los schilderen, zodat schilderij goedkoper verkocht kon worden.

Verzamelaars gingen na 1700 meer oude kunst verzamelen, ten nadele van levende kunstenaars.

Alan Chong – onderzoek naar prijzen van landschapsschilderijen

Deze manieren sterk pragmatisch van inslag. Men bekommert zich niet om esthetische kwesties of genialiteit van kunstenaars.

Synthese door Wilfrid Brulez – 1986 – Cultuur en getal