Hoofdstuk 10 – NL 17e eeuwse schilderkunst bij historici
Conrad Busken Huet – Land van Rembrand – 1883-1884 – 1e NL cultuurgeschiedenis op grote schaal – Huet was theoloog, zijn belangstelling ging vooral uit naar de letterkunde, hetgeen volgens hem in NL geen superieur gehalte bezat, zelfs in de 17e eeuw niet. De NL natuurwetenschap en de NL expansie in Indië waren van grotere internationale betekenis, zo ook de schilderkunst.
De voornaamste reden dat Huet de schilderkunst als beste uiting van de NL beschaving beschouwde was omdat ze in de ogen van het buitenland superieur was.
P.L. Muller – Onze Gouden Eeuw – 1895 – driedelig werk – Muller was hoogleraar geschiedenis in Leiden, hij interesseerde zich voor politieke, koloniale en economische geschiedenis, het boek bouwt niet voort op Huets werk. Patriottische toon. Pas in 3e deel aandacht voor schilderkunst.
Muller was het met Huet eens dat men zich in het buitenland NL grootheden op gebied van politiek etc. niet meer kende als zijnde NL, maar de schilderkunst wel als puur NL beschouwde. Mullers werk is verder niet van groot belang als boek over NL schilderkunst.
Amsterdam in de 17e eeuw – geschreven door 8 specialisten – 1897-1904 – behandelt alle aspecten van Amsterdam in de Gouden Eeuw en heeft voor een deel nog steeds gezag. Patriottische toon.
Historische paradox van eigenheid
Historici en moralisten hebben de achteruitgang van NL na de Gouden Eeuw altijd toegeschreven aan verslapping en gemakzucht. In de 2e helft van de 19e eeuw kwam die redenering te vervallen. Robert Fruin verklaarde in 1865 dat er geen reden was om terug te verlangen naar de 17e eeuw. De schilderkunst bleef als enige heden en verleden met elkaar verbinden.
P.J.Blok – Geschiedenis van het NL volk – 1892-1907 – bevestigende historicus, hij deelde mee wat er vroeger gebeurd was.
P.C. Geyl – Geschiedenis van de NL stam – jaren 30 – NL en België hadden volgens hem een kunnen worden als de politieke factoren daarnaar geweest waren. Hij vond het wetenschappelijk onaanvaardbaar om de noordelijke en zuidelijke NL tegenover elkaar te stellen. Hij noemde de Vlaamse primitieven dan ook de ‘eerste Nederlandse schildersschool’.
Kunstenaars als erflaters
Jan Romein – Lage Landen bij de Zee – 1934 – zeer populair en vele malen herdrukt – marxistische inslag, maar desondanks toch zeer populair. De originaliteit lag vooral in de combinatie van al traditioneel geworden inzichten met door het marxistische denken gevormde waardeoordelen.
Kunst en beschaving
J.Huizinga – Nederlands beschaving in de 17e eeuw – 1941 – verzette zich tegen de heersende opvatting dat Van Eyck als voorloper van de renaissance moest worden beschouwd vanwege zijn realisme. In ‘Herfsttij’ – 1919 – zegt hij dat Van Eyck de afsluiting vormt van de middeleeuwse cultuur.
De term ‘realisme’ benauwde Huizinga om de volgende redenen:
Huizinga’s opvattingen over realisme helpen ons echter niet veel verder, ook in zijn boek komen weer tegenstrijdigheden naar voren. Hij bracht echter een nieuwe manier van beschouwen naar voren.
Naoorlogse geschiedschrijving
J.L. Price – Culture and Society in the Dutch Republic during the 17th century – 1974
Hij kent niet veel waarde aan emblematiek toe, allegorische boodschappen lijken hem banaal. De schilderkunst, realistisch, spontaan, eenvoudig, bezat een onnavolgbare authenticiteit. Price besluit zijn boek met een samenvatting over het verval in de 18e eeuw.
Simon Schama – Embarrasment of Riches – 1987 – boek is briljant, maar mist diepzinnigheid. De hoofdgedachte: de Hollandse stadsbewoners van toen vroegen zich vaak af of hun materiële overdaad hun ziel niet zou schaden als ze er onbekommerd van genoten. Buitengewoon sterke nadruk op het uniek-NL van deze cultuur en maatschappij.
Hoofdstuk 11 – Iconologische benadering
Iconologie -> tak van kunstgeschiedenis die de inhoud van voorstellingen probeert te verklaren in hun historische samenhang, gerelateerd aan andere cultuurverschijnselen en aan bepaalde ideeën, het kunstwerk opgevat als betekenisdrager.
Frederik Schmidt-Degener -> schrijven over kunst is schrijven over schoonheid. Gedurende de 1e helft van de 20e eeuw lijken kunst en schoonheid synoniem. ‘Verstandskunst’.
Van Regteren Altena – De Nederlandsche geest in de schilderkunst – 1941 - omschrijvingen in dichterlijke stijl van schilderijen
Wilhelm Martin – 1935 – het gaat om het ‘hoe’, niet om het ‘wat’.
Bovengenoemde drie hadden sleutelposities in de toenmalige NL kunsthistorische wereld.
Vogelsang als pleibezorger van het visueel begrip. Hij zag het als zijn taak de ‘taal der vormen, vlakken, lijnen en kleuren’ voor zijn leerlingen verstaanbaar te maken.
Iconografie en iconologie
Iconografie = beeldbeschrijving, scheiding met iconologie is vaak moelijk aan te geven. Iconologie bezit een grotere pretentie
Mâle (Fr.religieuze kunst uit ME) en Van Marle (profane kunst) - iconografen
Iconologie en haar definities
Aby Warburg – dissertatie over mythologische voorstellen van Botticelli. Kernvraag: wat het de antieke kunst voor het kunstbegrip van de renaissance te betekenen? Kunstwerken werden door hem gebruikt als teksten waarvan het metafoorgebruik geanalyseerd kan worden.
Rafael Ligtenberg -> wij onderscheiden iconografie = voorstellingen zelf, van iconologie = de wetenschappelijke behandeling ervan.
Hoogewerff -> iconologie verhoudt zich tot iconografie als geologie tot geografie
Panofsky
Drie niveaus:
op dit derde niveau slaat iconografie om in iconologie, al is dat nog steeds niet altijd exact te duiden.
Incubatietijd
Voor geleerden van de Warburg-school vormen allegorieën en de mythologische thematiek van de It. renaissance het voornaamste studieterrein. Contacten met NL kunsthistorici waren beperkt. Huizinga was onze meest kunsthistorisch georiënteerde historicus.
J.G. van Gelder (opvolger van Vogelsang) – Van blompot tot blomglas – 1936 in Elsevier – bloemen als symbolen van vergankelijkheid, Gerard Knuttel had rond 1926 ook al over symboliek in de stillevens geschreven alsmede gewezen op de populariteit van emblemateboeken in de 17e eeuw. Studie over schilderij met zielenvisserij.
NL onderzoekers op gebied van allegorie maakten hier de eerste verkenningen, op dat van het verklaren van beeldtaal in de genreschilderkunst waren het de Duitsers Kauffmann en Rudolph.
JG v.Gelder verwelkomde de methode Panofsky, met een zekere aarzeling t.o.v. diens Studies in iconology van 1939 en zijn monografie over Dürer.
Hans van de Waal volgde in Leiden Martin op. Door zijn filologische achtergrond stond hij dichter bij Panofsky dan Van Gelder. Waarschijnlijk was hij de 1e kunsthistoricus in NL die een uitdrukkelijk standpunt t.o.v. voorstelling en betekenis innam. Boek: drie eeuwen vaderlandsche geschied-uitbeelding 1500-1800, de uitwerking van het proefschrift waarop hij in 1940 was gepromoveerd.
Institutionalisering
Sinds jaren 50 en vooral 60 raakte het iconologische onderzoek in een stroomversnelling.
Ingvar Bergström – 1956 – Dutch still-life painting in the seventeenth century
Panofsky introduceerde de term disguised symbolism in zijn boek Early Netherlands Painting betrekking hebbend op alledaagse voorwerpen in laat-ME voorstellingen. Bergström wist aan te tonen dat dit voortleefde in het stilleven, genrestuk en portret van 16e en 17e eeuw.
Heckscher – Rembrandt’s anatomy of dr. Nicolaas Tulp - 1958
J.A. Emmens – hield zich bezig met kunsttheoretische problemen – tentoonstelling ‘tot lering en vermaak’ uit 1976
In NL was het Sturla Gudlaugson die als eerste een verband legde tussen Hollandse schilderkunst en emblematiek in de in het Duits geschreven monografie over Gerard ter Borch 1959-1960. We weten nog steeds niet met zekerheid of dubbele betekenislagen met opzet gebruikt werden.
Verdere ontwikkeling
De jongere generatie onderzoekers voelt zich meer aangetrokken tot de rationele Gombrich dan de intellectuele mentaliteit van Panofsky.
Aims and limits of iconology – 1972 – bundel iconologische artikelen van Ernst Gombrich
Gombrich is veel minder dan Panofsky geneigd om complexe of veelomvattende denkbeelden in kunstwerken samengebald te zien.
Panofsky heeft zich met NL kunst uit de 17e eeuw m.u.v. Rembrandts Danae niet beziggehouden.
Interpretatiemethode die toegepast kon worden op Italiaanse kunst uit renaissance kon niet zondermeer op de NL kunst uit 17e eeuw worden losgelaten. Dit betoogt ook J.L. Price.
Recente en huidige stand van zaken
Svetlana Alpers – the art of describing – 1983 – voor haar is de betekenis van een schilderij in de oppervlakte gelegen en niet ergens diep daarachter.
Josua Bruyn – iconologie toegepast op 17e eeuwse landschapschilderij
Simon Schama – interpretatie van Hollandse cultuur in de 17e eeuw, voor een historicus maakt hij gretig gebruik van visueel materiaal.
Lunatic fringe – veelkoppig gezelschap van uitlegkundigen die erg (te) diep verklaringen gaan zoeken.
Peter Hecht – de Hollandse Fijnschilders – discussie over vorm en inhoud een ‘kleine oorlog’. Hij reduceert bovendien de iconologie tot een vrij onbelangrijke aangelegenheid en stemt daarin overeen met Price. Alpers daarentegen wijst de iconologie principieel af.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Evelyn Ligtenberg (2002)