Vitalisme: (vita = leven) opvatting die het organische leven verklaart vanuit een speciale levenskracht (Aristoteles). In de 19de en 20ste eeuw verzet het vitalisme zich binnen de levenswetenschappen tegen het causaal determinisme en zoekt naar teleologische verklaringen met een beroep op levenskracht.
Teleologie: (telos = doel) leer van de doelgerichtheid van de natuur.
Teleonomie: het wetenschapsgebied dat aan de hand van de evolutietheorie het ontstaan van aanpassingen bestudeert.
Fenotype: het organisme dat ontstaat doordat de info die is vastgelegd in het genotype, in interactie met de omgeving, tijdens de ontwikkeling van een organisme wordt gedecodeerd; het organisme als eindprodukt van de embryologische ontwikkeling.
Genotype: bevat de erfelijke informatie; het geheel aan erfelijke informatie dat een zygote (de cel die is ontstaan uit de versmelting van twee voortplantingscellen) meekrijgt.
Creationisme (of natuurlijke theologie): stroming in de theologie/wijsgerige biologie, die ervan uitgaat dat: 1. De biologische soorten op een bepaald moment door een Schepper zijn geschapen en sindsdien niet of nauwelijks meer zijn veranderd. 2. De geschapen soorten perfect zijn aangepast aan de omgeving waarin zij leven omdat de Schepper als wijze man daarvoor had gezorgd. 3. Op grond van zijn ziel de mens een bijzondere positie in de wereld bezit. De mens heeft een ziel en kan denken; i.t.t. dieren. Mensen staan aan de top en zijn de kroon van de schepping.
Ultimaat-causale verklaring: type causale verklaring in de biologie, waarin de vraag 'waartoe?' expliciet wordt gesteld. Wordt gekenmerkt door een teleologisch taalgebruik. Binnen de biologie wordt ernaar gestreefd om deze verklaringen aan te vullen met proximaat-causale verklaringen, ze worden als complementair beschouwd. De ultimaat-causale verklaring verwijst naar voorouders en natuurlijke selectie (zie evolutietheorie).
Proximaat-causale verklaring: causale verklaring in de biologie, die antwoord geeft op de vraag waardoor? Wordt gekenmerkt door natuurwetenschappelijk taalgebruik. Het gaat om de verklaring van eigenschappen van het fenotype die als product van allerlei complexe moleculaire interacties en andere mechanismen tijdens het leven van het individu zijn ontstaan.
Oorzakenleer: Aristoteles verklaart veranderingen uit vier soorten oorzaken: materie-, vorm-, bewegings- en doeloorzaak.
Het pleidooi ten gunste van een aparte status van de levenswetenschappen, gaat uit van de verschillen in object tussen de wetenschappen van de dode natuur en van de levende natuur. Levende organismen zijn meer dan het product van 'botsende moleculen'. De verschijnselen in de levenswetenschappen worden geacht dusdanig verschillend te zijn van verschijnselen in de natuurwetenschappen dat zij een apart, teleologisch (doelgericht) vocabulaire vergen. De visie op oorzaken die natuurkundigen ontwikkelden in de wetenschappelijke revolutie stond haaks op het traditionele aristotelische wereldbeeld waarin DOELOORZAKEN centraal stonden. In het werk van Aristoteles staat de interpretatie van levende natuur model voor de verklaring van andere verschijnselen. Hij onderscheidde vier oorzaken, die een antwoord geven op de vraag: waarom is iets wat het is?
De antropomorfe connotatie van de effectieve oorzaak, nl. dat die oorzaak iets 'maakt' of 'materie vorm oplegt', is na de wetenschappelijke revolutie verdwenen. De effectieve oorzaak verwijst na de 'mechanisering van het wereldbeeld' nog slechts naar oorzaken voor veranderingen in bewegingen. De andere 3 oorzaken zijn helemaal verdwenen. I.p.v. de waarom-vraag (waarom is iets wat het is?) werd alleen nog de hoe-vraag (hoe komt het dat iets beweegt?) gesteld.
TELEOLOGIE IN DE LEVENSWETENSCHAPPEN:
Het bezwaar tegen het vitalisme is dat men nooit verder is gekomen dan het verwoorden van een intuïtie. Het vitalisme levert geen wetenschappelijke verklaringen: zij weet geen specifieke voorspellingen te genereren aan de hand van vitale krachten, omdat er geen uitspraken worden gedaan over de condities waaronder de krachten werkzaam zijn. Het vitalisme levert alleen post-factum (achteraf) uitspraken.
Ook aan het creationisme (Paley) kwam een eind toen Darwin zijn evolutietheorie lanceerde:
De evolutietheorie geeft inzicht in de historische dimensie van verschijnselen
in de levende natuur. Hierdoor kan opnieuw een antwoord worden gegeven op de
vraag naar het waarom van verschijnselen. Er is geen verschil tussen de levenswetenschappen
en de natuurwetenschappen wanneer het gaat om hoe-vragen; de basis daarvan is
kennis uit de natuurwetenschappen. De waarom-vraag wordt in de evolutiebiologie
eveneens serieus genomen. Typisch biologische verschijnselen als regeneratie
en aanpassing kunnen worden beschreven m.b.v. begrippen als variatie, natuurlijke
selectie, fitness, proximaat-causale verklaringen (fenotype
als produkt van genotype) en ultimaat-causale verklaringen (genotype
als produkt van fenotype). Het 'denken in doelen' (Aristoteles)
is in zekere zin behouden gebleven. In ultimaat-causale verklaringen wordt de
waartoe-vraag expliciet gesteld (ook in teleologische taal). Men streeft er
binnen de biologie naar deze verklaringen aan te vullen met proximaat-causale
verklaringen, waarmee de biologie zich conformeert aan het natuurwetenschappelijke
voorbeeld. Volgens de evolutiebioloog zijn deze 2 typen verklaringen complementair.
De vraag waartoe verwijst naar de evolutietheorie, die net als natuurwetenschappelijke
uitspraken berust op
WETMATIGHEDEN IN HET VERLEDEN. Het principe van evolutie door natuurlijke selectie impliceert dat niet-doelmatige eigenschappen van planten en dieren verdwijnen en dat daardoor de doelmatigheid van eigenschappen verder ontwikkeld wordt. Het gevolg van dit principe is dat de meeste eigenschappen van planten en dieren doelmatig zijn.
Tussen de teleonomie en natuurlijke theologie (creationisme) is een formeel onderscheid. Met de uitspraak 'Kenmerk K lijkt ontworpen om functie F te vervullen', zijn in de evolutietheorie van Darwin een aantal vooronderstellingen verbonden die bij de creationisten geen rol speelden:
DRIE VERSCHILLEN:
Bij de teleonomie en teleologie gaat het om de functionele organisatie van levende
organismen, maar de teleonomie steunt niet op doeloorzaken (finale oorzaken).
Hoe kunnen we bepalen of een bepaald effect of functie het produkt is van natuurlijke selectie (Williams): om aan te kunnen tonen of een verschijnsel een aanpassing is, moet men het probleem proberen te vinden waarvoor het verschijnsel een oplossing is, en vervolgens het 'design' van de aanpassing analyseren (laten zien dat het verschijnsel inderdaad een adaptieve oplossing is door de precisie, economie, efficiëntie ervan te analyseren, om toeval als verklarende factor uit te sluiten).
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
C. De Beij