De maatschappij als laboratorium van de wetenschap


De ontwikkeling van het laboratorium

17de en 18de eeuw: rariteitenkabinetten (observeren, verzamelen en classificeren).
19de eeuw: het klassieke laboratorium, met haar 3 postulaten:

  1. Wetenschap bedrijven wordt gezien als een vorm van theoretiseren, die op zichzelf geen gevolgen heeft voor de wereld buiten het gesloten systeem van de wetenschap in het laboratorium. Alleen na een succesvolle toetsingsperiode en de daaropvolgende maatschappelijke toepassing heeft wetenschap invloed op de maatschappij.
  2. Wetenschap lukt alleen in een aparte ruimte, waarin de temporele en ruimtelijke condities een afgesloten systeem in stand houden. Het laboratorium functioneert als een soort bescherming tegen interventies van de buitenwereld.
  3. Wetenschappers brengen dingen of processen van buiten het laboratorium binnen en veranderen deze door ze te isoleren en te bewerken met instrumenten; ze worden niet gereproduceerd, maar geproduceerd.


Na WOII: wetenschap wordt teamwork en laboratoria en apparatuur worden steeds groter.

Twee modellen van interactie

Knorr-Cetina: de wereld beheerst het laboratorium: de overdracht van laboratoriumproducten naar de 'normale wereld' is problematisch. Hierop kan men reageren door ofwel de 'normale wereld' aan te passen aan de laboratoriumcondities, ofwel door de laboratoriumproducten te 'normaliseren'. Volgens Knorr-Cetina is dat laatste het geval. Het laboratorium vormt een neerslag van de maatschappelijke verhoudingen in de 'normale wereld', het condenseert sociale processen. In het (passieve) laboratorium worden de conflicten tussen de sociale belangen op eigen wijze uitgevochten; wetenschap is het product van sociale verhoudingen.

Latour: het laboratorium produceert de wereld, het vervult een spilfunctie bij de verandering van de wereld. Wetenschappers starten onderhandelingsprocessen met maatschappelijke groepen op de grens van het laboratorium en de maatschappij om hun wetenschappelijke theorieën en projecten ingang te doen vinden. Met de productie van feiten in het laboratorium bouwt de wetenschapper tegelijkertijd de maatschappij op. Tijdens dit proces van co-productie van natuur en maatschappij is het laboratorium het indisputable fulcrum, de onbetwistbare hefboom. Kritiek op Latour: hij besteedt te weinig aandacht aan structuren die het laboratorium te boven gaan (militaire belangen, seksisme), en hij onderschat het vertaalproces dat laboratoriumproducten ondergaan bij hun toepassing (de aanpassingsproblematiek, de stap van model naar werkelijkheid).

Kritiek op Knorr-Cetina en Latour: bij beiden is het laboratorium een aparte, begrensde plek, die zich duidelijk onderscheidt van de (rest van de) maatschappij. Tegenwoordig zijn de wetenschappen echter zo nauw verbonden met andere moderne instituties dat de demarcatie tussen wetenschap en maatschappij vervaagt.

Ulrich Beck: de maatschappij als laboratorium van de wetenschap: de moderne westerse landen zijn langzamerhand in een 'tweede fase van verwetenschappelijking' beland. In de eerste fase worden de producten van de wetenschap, nadat ze via de toetsing in het laboratorium door de wetenschappers zeker, veilig en juist zijn bevonden, zonder meer toegepast op maatschappelijke problemen. In de tweede fase echter bestudeert de wetenschap niet alleen maatschappelijke of menselijke problemen in het algemeen, maar ook de gevolgen van de wetenschappelijke en technologische veranderingen van die problemen. Dit kan niet meer alleen in het laboratorium plaatsvinden; de toetsing in het laboratorium is samengesmolten met de toepassing in de samenleving. Daarmee verdwijnt de betekenis van het gangbare concept van toetsen en experimenteren als een gebeurtenis die plaatsvindt onder bepaalde condities van tijd en plaats (manipuleerbare omstandigheden). Bovendien kunnen de effecten en risico's van een wetenschappelijk project niet meer duidelijk worden geïdentificeerd onder de beperkte tijd- en ruimtecondities van het laboratorium. Daarmee functioneren risico's en catastrofes als grootschalige experimenten. Leken worden in toenemende mate betrokken bij het bepalen van de uitkomsten; wetenschappelijke data worden meer en meer geconstitueerd door culturele betekenisgeving door leken. Een consequentie is dat wetenschappelijke producten niet langer exclusief als de producten van wetenschappers en ingenieurs moeten worden beschouwd; deze zijn slechts gedeeltelijk verantwoordelijk.
Beck vindt dat zij de eindverantwoordelijkheid blijven dragen, maar volgens de cursus zullen er nieuwe structuren van verantwoordelijkheid ontstaan, waarin alle betrokkenen zorg dienen te dragen voor de verschillende risico's van een wetenschappelijk-technologisch project. Het is in het belang van de wetenschap dat de leken erkenning krijgen door het vergroten van de mogelijkheden tot participatie in de besluitvormingsprocessen over de prioriteiten in wetenschappelijk en technologisch onderzoek. Democratisering van wetenschappen is daarmee een vereiste voor de wetenschappelijke vooruitgang.

Conclusie: de laboratoria verliezen hun vaste ruimtelijke en temporele grenzen t.o.v. de maatschappij. De maatschappij is het laboratorium van de wetenschappen geworden. De maatschappelijke toepassing van wetenschappelijke theorieën en projecten is hun toetsing. Deze ontwikkeling vereist nieuwe hermeneutische en politieke competenties van de kant van wetenschappers en niet-wetenschappers.

Dubbele hermeneutiek in de natuurwetenschappen

Dubbele hermeneutiek: (Giddens) de mens- en cultuurwetenschappen hebben, anders dan de natuurwetenschappen, betrekking op een vooraf geïnterpreteerde wereld. In het dagelijkse leven interpreteren actoren hun communicatieve handelingen (eerste hermeneutiek). Sociale wetenschappers interpreteren op hun beurt deze interpretaties (dubbele hermeneutiek).

Wetenschappers interpreteren het proces van de productie van gebeurtenissen in het laboratorium, en dat betekent dat zij hun eigen handelingen, ofwel interventies in de natuur, analyseren! Deze conclusie van Heisenberg sluit goed aan bij de uitkomst van de analyse van de toenemende vervlechting van lab en maatschappij. Een implicatie van deze ontwikkeling is immers, dat een van de meest gekoesterde verschillen tussen de natuurwetenschappen en de sociale wetenschappen (de dubbele hermeneutiek) aan het verdwijnen is. Ook de natuurwetenschappen zullen langzamerhand in de ban van de dubbele hermeneutiek geraken. Aan de input-kant nl. dienen de natuurwetenschappers in toenemende mate rekening te houden met de culturele impregnatie van hun gegevens, die immers door leken meer en meer worden verzameld. Aan de output-kant ontstaat net als bij de sociale wetenschappen het probleem van de supra-lokale toepassing van wetenschappelijke en technologische projecten. Interpretatie wordt daarmee steeds belangrijker.


| Index | Filosofie | Wetenschapsleer | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

C. De Beij