Natuurwetenschap en techniek
Epistemologie: kennisleer; filosofisch vakgebied waarin
de grondslagen en maatstaven van kennis worden onderzocht.
Baconiaanse wetenschap: wetenschappen die gebaseerd
zijn op experimenteel onderzoek; staan tegenover de mathematisch georiënteerde
klassieke wetenschappen .
De historische ontwikkeling van de relatie tussen natuurwetenschap
en techniek kan in vijf fasen worden ingedeeld:
- In de oudheid en vroege middeleeuwen was er geen relatie.
- In de late middeleeuwen en renaissance ontstonden nieuwe combinaties
van wiskundige of natuurwetenschappelijke inzichten met ambachtelijke
technieken. Uit deze natuurfilosofie (Bacon en Descartes)
resulteerde een aanbeveling aan de natuurwetenschappers tot het gebruik
van de experimentele methode, als een middel om de natuur te leren kennen
door haar te beheersen.
- In de achttiende eeuw bleek dat de nieuwe natuurfilosofie vnl. van invloed
was op de baconiaanse wetenschappen; ondanks het feit dat natuurwetenschap
nu, via het experimenteren, methodisch op techniek betrokken was, ontstond
nog geen systematische verstrengeling tussen beide.
- In de 19de eeuw (industriële revolutie) groeiden de klassieke en
baconiaanse wetenschappen naar elkaar toe en namen de relaties tussen
natuurwetenschap en techniek toe.
- In de 20ste eeuw raken wetenschap en techniek systematisch met elkaar
verbonden.
In hiërarchische modellen (voor de relatie tussen natuurwetenschap
en techniek) wordt aan ofwel de natuurwetenschap ofwel de techniek, in een
of andere zin, prioriteit toegekend (historici, sociologen en filosofen).
Het is echter niet mogelijk om op basis van historisch materiaal het ene
hiërarchische model te prefereren boven een ander.
Een hiërarchisch model is Bunges visie op techniek als toegepaste
wetenschap. Hij onderscheidt deze van zuivere wetenschap op grond van de
verschillen in doel: praktische regels tegenover ware wetten. De hiërarchie
blijkt hierin dat ware wetten wel praktische regels kunnen legitimeren,
maar praktische regels geen wetten (epistemologisch onderscheid). De verschillen
in doelstelling betreffen de motivaties die af te leiden of te reconstrueren
zijn uit de activiteiten van natuurwetenschappers en technici. De techniek
gebruikt wetenschappelijke regels en wetten om bepaalde problemen op te
lossen en/of om bepaalde gewenste doelen te realiseren. Oftewel, wetenschappelijke
theorieën kunnen enerzijds worden toegepast om onze kennis te vergroten
(wetenschap), anderzijds om onze welvaart en macht te vergroten (techniek).
Bunge wordt enerzijds bekritiseerd door mensen die de afstand tussen techniek
en wetenschap meer beklemtonen:
- Resultaten van historisch onderzoek, waarin blijkt dat technische
vernieuwingen of uitvindingen onafhankelijk van wetenschappelijk onderzoek
en wetenschappelijke theorieën tot stand zijn gekomen (stoommachine).
Bunge's verweer is dat deze voorbeelden nietde huidige situatie weergeven.
- Resultaten van sociologisch onderzoek , zoals m.b.t. tot de mate van
cognitieve autonomie (bij wetenschap groter).
Een ander type kritiek benadrukt juist de overeenkomsten tussen techniek
en natuurwetenschap meer dan Bunge. Een analyse van de wetenschappelijke
praktijk laat zien dat er drie soorten activiteiten (i.p.v. 2) te onderscheiden
zijn in de natuurwetenschap: theorievorming, modelvorming en experimentele
toets. Bij de laatste twee activiteiten spelen niet alleen theoretisch verantwoorde
methoden een rol, maar hanteert men ook know-how, opgedaan in de praktijk.
De kloof tussen techniek en wetenschap is dus met name bij deze vormen van
wetenschapsbeoefening niet zo eenduidig aanwijsbaar: de verschillen zijn
eerder gradueel dan principieel en eenduidig.
Analoge modellen stellen dat er tussen natuurwetenschap
en techniek bepaalde analogieën bestaan. De taak is dan het expliciteren
van deze analogieën in termen van overeenkomsten en verschillen (wetenschapshistorici
en -sociologen). Voorbeelden zijn het model van Constant, dat gebruik
maakt van Kuhns paradigmaopvatting (hij neemt
de centrale begrippen over en onderzoekt vervolgens in hoeverre ze toepasbaar
zijn op de ontwikkeling van technologische kennis), en het SCOT
van Pinch en Bijker, dat aansluiting zoekt bij Collins' EPOR.
Constant wijst op 3 structurele overeenkomsten tussen natuurwetenschap
en techniek:
- Bij beide is de praktijk gestructureerd op basis van duidelijk identificeerbare
gemeenschappen van beoefenaren, die welomschreven tradities representeren.
De cognitieve ontwikkeling van de techniek vindt plaats binnen de betreffende
gemeenschappen en tradities.
- Bij beide kunnen we normale en revolutionaire perioden onderscheiden. Vooruitgang
ontstaat binnen de techniek als de som van zeer vele kleine verbeteringen
(puzzels oplossen), die echter alle binnen dezelfde globale technologische
traditie staan. Een revolutie kan er ontstaan wanneer meer fundamentele problemen
of anomalieën aan het licht komen.
- Ook de techniekontwikkeling wordt geleid door een aantal gedeelde normen
(strenge toetsing, logisch gestructureerde verslaglegging en herhaalbaarheid
van de experimentele resultaten)
De verschillen zijn volgens Constant:
- Bij techniek is de kwaliteit van het gehele artefact doorslaggevend.
Een belangrijke taak van technici is dan ook de onderlinge afstemming
van de delen op elkaar. Dit vereist een continue communicatie tussen mensen
uit verschillende technologische tradities om te komen tot een zo goed
mogelijk totaalprodukt, een geïntegreerd technisch systeem.
- Een technisch artefact moet werken. Het falen van technische systemen
beschouwt Constant als een objectieve kwestie: in een bepaalde omgeving
werkt een systeem of het werkt niet.
- Een verschil op grond van economische en sociale factoren: bij techniek
moeten we, naast het cognitieve aspect, ook de sociale functie in de beschouwingen
betrekken.
De sociale constructie van de techniek.
Het SCOT-programma wil de ontwikkeling in de
techniek op sociologische manier verklaren. De technische producten, artefacten,
worden geconstrueerd als een oplossing voor een probleem. Wat een probleem is
en wat als oplossing geldt, is geen objectief gegeven, maar iets dat wordt bepaald
door de relevante sociale groep. Oplossingen hebben een sociale betekenis. De
dynamiek van de ontwikkelingspatronen van technische artefacten is afhankelijk
van de krachtsverhoudingen in het netwerk van de betrokken sociale groepen.
Het product wordt dus verklaard als een contingent resultaat van maatschappelijke
processen, niet als het resultaat van een onafhankelijk vaststelbare technische
superioriteit van het artefact. Dit betekent dat alternatieve ontwikkelingen
altijd mogelijk zijn. Analoog aan het EPOR onderscheidt
SCOT 3 fasen in de bestudering van de ontwikkeling
van technische artefacten:
- In de eerste fase van de interpretatieve flexibiliteit is er nog geen
eensluidende opinie over het succes van het artefact. Wat voor de ene groep
een succesvolle oplossing is, behoeft dat voor de andere groep niet te zijn.
- In de tweede fase wordt het stabiliseren van technische artefacten bestudeerd.
Er ontstaan geaccepteerde technische produkten, die een stabiele maatschappelijke
en economische betekenis hebben. Herdefiniëring en verschuiving van probleem
en oplossing zijn de mechanismen bij de stabilisatie van de artefacten.
- In de laatste fase worden de sluitings- en stabiliseringsmechanismen gerelateerd
aan de factoren in de ruimere sociaal-culturele context (kreeg binnen het
EPOR minder aandacht).
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
C. De Beij