Geschiedenis van de vroeg-moderne wetenschappen

Common sense: het gezond verstand dat volgens sommige filosofen alle mensen gemeen hebben (zie: common sense wereldbeeld).

Dualisme: de herleiding van de werkelijkheid tot twee onverenigbare beginselen (bijv. idee/werkelijkheid, ziel/lichaam, denken/uitgebreidheid): natuurwetenschappelijk wereldbeeld van Galilei en Descartes.

Mechanicisme: de leer dat de stoffelijke werkelijkheid begrepen moet worden als een mechaniek. De wereld bestaat uit materiedeeltjes die gekenmerkt worden door grootte, getal, beweging en rust. Deze kunnen op mathematische wijze aan elkaar worden gerelateerd. Achtergrond van deze filosofische opvatting is een combinatie van atomisme en mathematische traditie (Galilei en Descartes).

Klassieke wetenschappen: die al in de klassieke oudheid op hoog niveau werden bedreven, zoals astronomie en mechanica; wetenschappen die relatief gemakkelijk toegankelijke verschijnselen en regelmatigheden m.b.v. mathematische constructies trachten te verklaren. Staan t.o.v de:

Baconiaanse wetenschappen: genoemd naar de Engelse staatsman, filosoof en schrijver Francis Bacon; wetenschappen die verschijnselen onderzoeken die niet gemakkelijk toegankelijk en voorhanden zijn; wetenschappen waarin bij uitstek op experimentele wijze onderzoek wordt gedaan.

Er is geen overeenstemming over de periodisering en de belangrijkste factoren in de verklaring van de wetenschappelijke revolutie (verschillende visies, alternatieve interpretaties; zie pag 40); in de cursus wordt ze vooral beschreven vanuit haar invloed op de filosofie, en in het tijdvak 1500-1700. Vooral het mathematische karakter van de wetenschappelijke revolutie en de daaruit voortvloeiende speculatieve consequenties voor het wereldbeeld worden hier benadrukt (Galilei/Pascal/Descartes).

Het christelijk-aristotelische (common sense) wereldbeeld (middeleeuwen), dat dicht bij onze alledaagse waarneming en ervaring van de werkelijkheid staat, ziet het universum zo:

  1. Het hemelgewelf draait rond de aarde (hemelkoepel).
  2. De zon komt op en gaat onder.
  3. Slechts in het bovenmaanse (het heelal, boven de maan) vindt men eeuwige regelmaat, terwijl hier in het ondermaanse verval, bederf en chaos heerst.
  4. Het heelal is een eindige, ronde koepel (vaste sterren).
  5. Alles wat beweegt, houdt daar uiteindelijk ook weer mee op, tenzij er een constante kracht aan toegevoegd wordt. De enige uitzondering hierop zijn de eeuwige, cirkelvormige bewegingen van de hemelkoepel en de planeten.
  6. Kleuren, geuren, geluiden en tactiele zintuigervaringen hebben een reëel, fysisch bestaan.
  7. De hele kosmos, het planetenstelsel, de aarde, het planten- en dierenrijk hebben hun plaats, hun functie en waarde. Ze staan in dienst van de mens. Niet alleen de aarde staat in het middelpunt van de kosmos (geocentrisme), maar ook de mens (anthropocentrisme).

Deze stellingen worden ondergraven en vervangen door de voormannen van de wetenschappelijke revolutie: 1. en 2. door Copernicus; 3. en 5. door Galilei en Newton; 4. en 7. door Descartes; 6. door Descartes en Galilei. Copernicus verklaarde de retrogarade beweging (lusvormige baan) van de planeten uit de draaiende aarde, die een jaarlijkse baan om de zon beschrijft (stelling 1 en 2). Galilei en Newton beschreven hemel en aarde als eenheid; Galilei reduceert de aardmechanica tot hemelmechanica, en later doet Newton precies het omgekeerde (stelling 3). I.t.t. Galilei beschouwt Newton niet de cirkel-, maar de eenparige rechtlijnige beweging als fundamenteel; krachten zijn niet verantwoordelijk voor snelheid, maar voor snelheids- en richtingsveranderingen en alle objecten oefenen krachten op elkaar uit (traagheids- of inertieprincipe en gravitatiewet; stelling 5). Newtons werk is de uitdrukking van hetzelfde mathematisch vormideaal (de werkelijke wereld wordt gelijkgesteld met de fysische wereld, die gereduceerd kan worden tot mathematische relaties tussen mathematisch gedefinieerde entiteiten) als dat van Galilei, maar het is geen puur geometrisch ideaal meer. Naast vorm, grootte, beweging en rust bevolken ook krachten Newtons universum. Het natuurwetenschappelijk wereldbeeld schept een onoverbrugbare kloof tussen onze directe ervaring en de door haar geponeerde werkelijkheid!

Descartes verwerpt (i.t.t.) Galilei alle 7 stellingen.

Het mechanicisme (mathematische traditie + atomisme) van Galilei en Descartes leidde tot dualisme (onderscheid tussen subjectieve eigenschappen, zintuiglijke waarnemingen die gebonden zijn aan het waarnemende subject; kleur, geur, geluid, smaak en tactiele eigenschappen, en objectieve eigenschappen, de enige eigenschappen die aan fysische objecten toegeschreven kunnen worden; grootte, vorm, getal en beweging). Descartes ging daarbij verder dan Galilei en beschouwde ook de waarneming van fysische eigenschappen als subjectief proces, evenals verbeelden en herinneren (met fysische pendant), en denken en willen (geen correspondentie). Volgens hem zijn lichaam en ziel volledig onafhankelijk (geen oorzakelijk verband); overdracht vindt plaats via de pijnappelklier.

Gallilei
Newton
objectief subjectief objectief subjectief
grootte
vorm
beweging
rust
kleur, geur, smaak, geluid en tactiele eigenschappen (warmte en pijn) grootte
vorm
beweging
rust
waarneming van grootte, vorm, beweging en rust, kleur, geur, geluid en tactiele eigenschappen.

PROBLEMEN TEN GEVOLGE VAN DIT DUALISME:

  1. Wat is de aard van de elementen in de beide kolommen en aan wat voor wetten zijn ze onderhevig?
  2. Welke relatie(s) bestaan er tussen beide kolommen? Hoe kan men de aard en de werking van de kolommen leren kennen? Kan men de linkerkolom op basis van de rechter leren kennen of omgekeerd?


In het natuurwetenschappelijk wereldbeeld van na de wetenschappelijke revolutie is geen plaats voor subjectieve ervaringen; ware wetenschap houdt zich bezig met objectieve fenomenen. Maar:

  1. Subjectieve ervaringen zijn onontbeerlijk voor de wetenschap, omdat die gebaseerd is op het contact tussen subject en wereld. Empirische wetenschappen veronderstellen immers een relatie tussen onderzoeker en fysische wereld, bijv. in de waarneming.
  2. Subjectieve ervaringen staan niet op zich. Een menselijk subject is niet alleen geest, maar ook lichaam. Een mens is tevens een fysisch object. Er bestaan onmiskenbaar relaties tussen lichaam en geest.


De wetenschappelijke revolutie (het mechanicisme) vond eerst plaats in de klassieke wetenschappen en werd daarna geëxporteerd naar de baconiaanse wetenschappen. Daarin werd wel het atomisme overgenomen, maar de mathematische oriëntatie veel minder. In de 19de eeuw kwam de integratie tot stand: de baconiaanse wetenschappen werden gemathematiseerd en in de klassieke wetenschappen kregen experimenten een belangrijkere rol. De wetenschappelijke revolutie bracht de psychologie voort (aanvankelijk de rationalistische psychologie van Descartes), maar die werd wegens de invloed van het empirisme (Newton, Locke) voornamelijk. natuurwetenschappelijk. De rationele psychologie stelt dat het bewustzijn vrij, actief en creatief is, terwijl de materële wereld passief is.
Locke: Evenals Descartes hanteerde hij een tweekolommenmodel van de werkelijkheid. Volgens Locke zijn de ideeën echter niet aangeboren.
Evenals de materie is het bewustzijn niet actief bij de empiristen. Het is een systeem dat reageert doordat de ervaring associaties tussen verschillende ideeën komen.

De contrarevolutionairen Blaise Pascal (1623-1662) en vooral Giambattista Vico (1668-1744) relativeren de pretenties van het natuurwetenschappelijk wereldbeeld: hij stelt dat het fout is om de natuur te willen bestuderen. Die is door God gemaakt en daarom niet toegankelijk voor ons. Slechts dat wat men zelf maakt, kan men begrijpen (menselijke uitingen, zoals wetenschap, dus ook). Hij bedrijft op grond hiervan zelf wetenschaps-geschiedenis; zijn aanvalsstrategie is die van de historische relativering; de wetenschappen worden in een bepaalde historische context geplaatst. Daarenboven hanteert hij een cyclische opvatting van de geschiedenis. Er is geen ultiem eindpunt of hoogste stadium. (de periode der goden, de periode van de helden en de periode van de mensen). Elke periode gaat ten onder aan haar gebreken.
Zijn conclusie is dat de natuurwetenschappen zijn gebonden aan een specifieke en voorbijgaande periode (die der mensen). Hij beschouwt wetenschap dus slechts als een historisch gegroeide cultuurvorm, behorend bij een bepaalde tijd. De periode der mensen zal resulteren in verstedelijking en de daarmee gepaard gaande beschavingsziekten: individualisme, dat verwordt tot egoïsme.


| Index | Filosofie | Wetenschapsleer | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

C. De Beij