ARGUMENTATIE EN OPENBAAR BESTUUR


Analogie

Grond: Enkele kenmerken van de zaak en het analogon
Motivering: Zaak en analogon hebben enkele kenmerken gemeen
Ondersteuning: De overeenkomsten zijn relevant voor de conclusie
Kwalificatie: Waarschijnlijk
Voorbehoud: Tenzij zaak en analogon ook relevante verschillen tonen
Conclusie: Ook andere overeenkomsten

Inductieve analogieën: het accent ligt op het aantonen van de veronderstelde overeenkomst.
De zaak Z heeft ook kenmerk K gemeen met analogon A, of met de analoge gevallen A t/m E

Begripsmatige analogieën: de nadruk ligt op de ondersteuning.
De zaak Z heeft zoveel kenmerken gemeen met het analogon, het begrip A, dat Z gelijk moet worden behandeld als verschijnselen die onder begrip A vallen

Drogredenen

Drogreden van de oppervlakkige overeenkomst: Onvoldoende relevant zijn van de overeenkomsten

Twee fouten maken iets goed:


Glijdende precedent
:


Motivatie van individuen:


Evaluatie

  1. Zijn de kenmerken inderdaad bij zaak en analogon aanwezig?
  2. Zijn de overeenkomsten relevant voor de conclusie?
  3. Is de motivering juist?
  4. Zijn de nodige voorbehouden gemaakt?
  5. Is de conclusie van de juiste kwalificatie voorzien?
  6. Hoe deugdelijk is de redenering als geheel?


Een inductieve analogieredenering wordt sterker naarmate:

  1. meer analoge gevallen zijn beschouwd
  2. tussen zaak en analogon meer overeenkomsten zijn vastgesteld
  3. de conclusie zwakker is geformuleerd
  4. analogon en zaak minder relevante verschillen vertonen
  5. de analoge gevallen onderling meer verschillen vertonen

 

 


| Index | Argumentatie en Openbaar Bestuur | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (1998)