ARGUMENTATIE EN OPENBAAR BESTUUR

Inductie


Voornaamste toepassingen: voorspellen en verklaren
Sterke en zwakke inducties. Gradaties van inductieve deugdelijkheid

Een redenering is inductief wanneer haar premissen en conclusie bestaan uit empirische uitspraken, waarin de conclusie niet deductief valt af te leiden en de gevolgtrekking is gebaseerd op de veronderstelling dat waargenomen regelmatigheden blijven bestaan.

Inductief beginsel: de werkelijkheid kent een zekere regelmatigheid

Inductieve conclusies zijn altijd extrapolerend. Van het bijzondere naar het algemene

Sterkte van de redering is recht evenredig met het aantal bijzondere gevallen die worden waargenomen en omgekeerd evenredig met de mate van extrapolatie

Drie stappen van een inductieve redenering

  1. de constatering dat een bepaalde regelmaat bestaat
  2. de aanname dat de regelmatigheid blijft bestaan
  3. de verwachting dat de regelmatigheid ook van toepassing is op het verschijnsel waarover de conclusie zich uitspreekt


Beoordelingsvragen:

  1. Bestaat er inderdaad een regelmatigheid?
  2. Is er een voldoende aantal gevallen waargenomen?
  3. Is het aantal waarnemingen dermate gevarieerd dat de waargenomen gevallen representatief geacht mogen worden voor de doelpopulatie?
  4. Kan het geprojecteerde kenmerk inderdaad aan de doelpopulatie worden toegeschreven, op grond van de geconstateerde regelmaat?


Een redenering als geheel wordt sterker als:


Indien een redenering een keten van inductief en deductief bevat, dan oordelen op inductie (de zwakste schakel)

De kracht van ondergeschikte of subredeneringen moeten worden vastgesteld door het product van de kansen te berekenen.

Transformatie van inductie naar deductie Universele generalisaties in de wetenschappen


Samenhang of oorzaak?

Twee verschijnselen hangen samen, of correleren, wanneer het optreden van het ene verschijnsel altijd of meestal gepaard gaat met het optreden of een verandering van het andere verschijnsel. Een oorzakelijk verband is een bijzonder geval van correlatie; de situatie waarin een verschijnsel betrokken is bij de productie van een ander verschijnsel.

Drogreden van de verkeerde oorzaak post hoc ergo propter hoc (causale samenhang verkeerd)

Vier mogelijkheden van correlatie:

  1. De correlatie ontstaat doordat X een bijdrage levert aan de totstandkoming van Y
  2. De correlatie ontstaat doordat Y een bijdrage levert aan de totstandkoming van X
  3. De correlatie ontstaat door een derde factor die de oorzaak is van X en Y
  4. De correlatie is niet causaal, maar logisch


Redenering ter voorspelling

Algemene vorm: A leidt (over het algemeen) tot B A leidt tot B
Ai is het geval Ai is waarschijnlijk
Ergo: Bi is (waarschijnlijk) het geval Ergo: Bi is waarschijnlijk

Voorwaardelijke voorspelling: A leidt over het algemeen tot B
Ergo als Ai, dan waarschijnlijk Bi

Evaluatievragen:

  1. Zijn er redenen om aan Ai te twijfelen?
  2. Is Ai een duidelijk geval van A?
  3. Is oorzaak (of regelmaat of teken) A i.h.a. voldoende om gevolg B zeker of waarschijnlijk te achten?
  4. Is het verband tussen A en B voldoende vaak in eerdere gevallen waargenomen?
  5. Zijn er gevallen bekend waarin A niet tot B leidde?
  6. Zijn er in het algemeen omstandigheden denkbaar of waarschijnlijk waaronder A niet tot B leidt?
  7. Is het verband tussen A eb B aannemelijk op grond van algemenere verbanden?
  8. Zijn er in dit concrete geval nog omstandigheden die de kans op Bi verkleinen of vergroten?
  9. Is de in de conclusie uitgedrukte waarschijnlijkheid of zekerheid in overeenstemming met vraag 1 t/m 4?


Redenering ter verklaring

Van gevolg naar oorzaak: Bi is het geval

A leidt (over het algemeen) tot BErgo: Ai is waarschijnlijk het geval

Tekenredenering: Ai is het geval
A is een teken van B
Ergo: Bi is (waarschijnlijk) het geval

Gebruikt voor Interpretaties van menselijk gedrag

Evaluatie:

  1. Zijn er redenen om aan Bi te twijfelen?
  2. Is Bi duidelijk een geval van B?
  3. Is het optreden van B in het algemeen voldoende om A waarschijnlijk te achten?
  4. Is het verband tussen A en B voldoende vaak waargenomen?
  5. Zijn er gevallen bekend waarin B zonder A optreedt?
  6. Zijn er omstandigheden denkbaar of waarschijnlijk waaronder B zonder A optreedt?
  7. Is het verband tussen A en B aannemelijk op grond van algemenere verbanden?
  8. Zijn er tekens die een andere richting op wijzen?
  9. Treden andere effecten op tekens, die men op grond van A zou mogen verwachten, inderdaad op?
  10. Zijn er alternatieve verklaringen voor Bi waaraan een grotere aannemelijkheid kan worden toegekend?
  11. Is de in de conclusie uitgedrukte waarschijnlijkheid in overeenstemming met het antw. op vraag 1 t/m 6?


Van samenhang naar causaal verband Ai is het geval
Bi is het geval
A leidt (meestal) tot B
Ergo: Bi is waarschijnlijk het gevolg van Ai

Evaluatie:

  1. Zijn er redenen om aan Ai te twijfelen?
  2. Zijn er redenen om aan Bi te twijfelen?
  3. Is A een noodzakelijke verklaring voor B?
  4. Is A een voldoende voorwaarde voor B?
  5. Is A een veel voorkomende oorzaak van B?
  6. Zijn er gevallen bekend waarin B zonder A, of A zonder B optreedt?
  7. Zijn er omstandigheden denkbaar waarin A en B tegelijkertijd maar onafhankelijk van elkaar optreden?
  8. Is het verband tussen A en B aannemelijk op grond van algemenere verbanden?
  9. Is de in de conclusie uitgedrukte waarschijnlijkheid in overeenstemming met het antw. op vraag 1 t/m 4?


Drogredenen bij voorspellen en verklaren

 

  1. Iemand A,B en C presenteert als voldoende steun voor conclusie D
  2. A,B en C gezamenlijk onvoldoende steun opleveren voor D omdat:


Tegengesteld is het immuniseren tegen kritiek (= alle uitspraken te voorzichtig kwalificeren)

 

 


| Index | Argumentatie en Openbaar Bestuur | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (1998)